AWB ThermoSystem HRM 120-2 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van AWB ThermoSystem HRM 120-2 (44 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarmingsketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 25 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over AWB ThermoSystem HRM 120-2 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | AWB |
| Categorie: | Verwarmingsketel |
| Model: | ThermoSystem HRM 120-2 |
Handleiding AWB ThermoSystem HRM 120-2 – volledige tekst
InstallatievoorschriftAAN DE INSTALLATEURMet het toestel dat u gaat plaatsen,installeert u een kwaliteitsproduct.Ondanks de bekendheid van het AWB-concept, heeft dit toestel zaken dienieuw voor u kunnen zijn. Lees daaromgoed de bijgevoegde instructies. De tijddie u daaraan besteedt, wint u terug bijhet installeren. Daarnaast kan eengoede uitleg aan de gebruiker, overwerking en bediening van het toestel eninstallatie, u veel werk en hem of haarveel ongenoegen besparen. Zijn er problemen of vragen, neem dancontact op met AWB.Met vriendelijke groeten,AWB CV-KETELS B.V.www.awb.nlBewaar dit installatievoorschriftgoed in de buurt van het toestel.Bij onderhoud of reparatie kanhet belangrijk zijn dat dit boekjevoorhanden is.80/2120/2160/2200/2240/2280/2Voor de gebruiker en installateurBediening- en installatiehandleiding
VOOR DE GEBRUIKER - BEDIENINGSHANDLEIDINGINHOUDSOPGAVE PAGINA1Aanwijzingen tot de documentatie 31.1 Bewaren van de documentatie 31.2 Gebruikte symbolen 31.3 CE-merkteken 31.4 Typeplaat 32Veiligheidsrichtlijn 42.1 Montage en installatie 42.2 Hoe te handelen bij storingen 42.3 Vorstbeveiliging 43Richtlijnen voor installatie en bedrijf 53.1 Garantie 53.2 Aansprakelijkheid 53.3 Eisen aan opstellingruimte 53.4 Onderhoud toestel 53.5 Recycling en vernietiging 54Bediening 64.1 Controle voor het in bedrijf nemen 64.1.1 Openen van afsluiters 64.1.2 Waterdruk controleren 64.2 Overzicht van het bedieningspaneel 64.3 Toestel in en uitschakelen 64.4 Display met multifunctionele aanduiding 64.4.1 Bedrijfsaanduiding 64.4.2 Menu overzicht 64.5 Instellingen voor verwarming en warmwater bedrijf 74.5.1 Maximale aanvoertemperatuur wijzigen 74.6 Diagnose mode 75Storingen 85.1 Resetten van een storing 86Reiniging en onderhoud 86.1 Reiniging 86.2 Inspectie en onderhoud 86.3 Systeemdruk controleren 86.3.1 Installatie bijvullen 87Overige informatie 97.1 Toebehoren 92
31AANWIJZINGEN TOT DE DOCUMENTATIEDe volgende aanwijzingen zijn een wegwijzer door hetinstallatievoorschrift.1.1 Bewaren van de documentatieBewaart dit bediening- en installatievoorschrift op eendroge plaats goed in de buurt van het toestel. Bij onder-houd of reparatie kan het belangrijk zijn, dat dit bediening-en installatievoorschrift voorhanden is.1.2 Gebruikte symbolenLet u bij bediening van het toestel op de veiligheidsvoor-schriften in deze bedieningshandleiding.Gevaar! Direct levensbedreigend.Let op! Mogelijk gevaarlijke situatie voor producten omgeving.Opmerking!
42 VEILIGHEIDSRICHTLIJNNeemt u vooral de volgende veiligheids-aanwijzingen en voorschriften in acht. Gevaar. Gaslucht. Vergiftiging enexplosiegevaar. Bij gaslucht handel dan als volgt:- geen licht aan- of uitschakelen;- geen elektrische schakelaars bedienen;- geen telefoon in de directe omgeving gebruiken;- geen open vuur gebruiken;- niet roken;- gaskraan van het toestel of hoofd-gaskraan sluiten;- ramen en deuren openen;- personen in het gebouw waarschuwen;- gebouw verlaten;- installateur of gasbedrijf waarschuwen. 2. 1 Montage en installatieDe installatie van het toestel dient te gebeuren door een erkend installateur.
Hierbij moeten de volgende voorschriften en richtlijnen in acht worden genomen:-bouwbesluit;-veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallatieNEN 1010;-voorschriften voor het aansluiten op binnen-rioleringenin woningen en woongebouwen NEN 3287;- voorschriften voor ventilatie van woningen enwoongebouwen NEN 1087/NEN 1088;- eisen voor industriële gasinstallatie NEN 2078;- eisen voor verbrandingsinstallaties NEN 3028;- afvoer van rook van gebouwgebondenverbrandingsinstallaties met een belasting groter dan130 kW (bw) NEN 2757;- eventueel voorschriften van lokale gemeente ennutsbedrijven;- dit installatievoorschrift. Let op. Geen aanpassingen aan het toesteluitvoeren. Het is niet toegestaan om aanpassingen uit te voeren aan:- het toestel;- toevoer van gas, verbrandingslucht en water;- afvoer van rook en condenswater;- elektrische voorzieningen.
Voor veranderingen aan het systeem of omgeving zoalso. a. deuren en ventilatieroosters dient u contact op tenemen met uw installateur. Reparatie en onderhoud dientuitgevoerd te worden door een erkende installateur. 2. 2 Hoe te handelen bij storingenGevaar. Spanningvoerende delen enaansluitingen. Schakelt u het toestel uit doorde hoofdschakelaar van het toestel uit tezetten, voordat u aan het toestel gaat werken. Als tijdens het bedrijf storingen optreden, handel danvolgens hoofdstuk 5.
Indien een storing zich herhaalt ofniet herstelt neem dan contact op met uw installateur. Let op. Controleer regelmatig de systeemvuldruk, deze dient tussen de 1,5 en 2,0 bar te zijn. 2. 3 VorstbeveiligingVerzeker u ervan dat tijdens een vorstperiode, bij afwezig-heid, de verwarmingsinstallatie in bedrijf is en deopstellingruimte vorstvrij blijft. Let op. De vorstbeveiliging en overigeveiligheden zijn alleen in bedrijf, als denetspanning aanwezig is en de schakelaar ophet toestel is ingedrukt en groen brand. Het toestel is uitgerust met een vorstbeveiliging. Indien decv-aanvoertemperatuur bij een ingeschakeld toestel daalttot beneden de 10 °C, zal het toestel de brander starten ende cv-aanvoertemperatuur opwarmen tot ca. 20 °C.
Als de elektriciteit en gasvoorziening voor een langeperiode uitgeschakeld blijven tijdens een vorstperiode,wordt aanbevolen om het hele systeem inclusief de ketel,leeg te laten om bevriezing ervan te voorkomen. Opmerking. Het is niet toegestaan om zonderschriftelijke goedkeuring van AWB, vorst-verlagende of andere middelen toe te voegenaan het cv-water.
53RICHTLIJNEN VOOR INSTALLATIE ENBEDRIJF3. 1 GarantieAWB staat er voor in dat dit hoogwaardige kwaliteits-product vrij van fabricagefouten is. Daarvoor geeft AWB op de ThermoSystem HRM eengarantie van 24 maanden op fabricagefouten en onder-delen. Uitzondering hierop vormt de warmtewisselaarwaarvoor een garantieperiode geldt van 10 jaar. Voor het overige zijn de garantiebepalingen conform degarantiekaart (bijgesloten in de verpakking). Reparaties enonderhoud tijdens de garantieperiode mogen enkel uit-gevoerd worden door een erkende installateur. De garantie op het toestel vervalt indien:- onderhoud, reparatie of wijzigingen zijn gepleegd aan het toestel of de installatie door niet erkendeonderhoudsmonteurs of installateurs;- in of aan het toestel sporen van gebruik anders danomschreven in dit bediening- en installatievoorschriftzichtbaar zijn;- schade ontstaan door of tijdens transport. 3.
2 AansprakelijkheidHet toestel is ontworpen voor de verwarming van ruimtenals onderdeel van een cv-installatie, uitgelegd op een maximale aanvoertemperatuur van 80 °C en een daarbijbehorende retourtemperatuur van 60 °C, met een maxi-male systeemwerkdruk van 3 bar. Voor schade of letselwelke voortvloeit uit gebruik van het toestel anders danomschreven in dit installatie- en bedieningsvoorschrift kande fabrikant niet aansprakelijk gesteld worden. Voorts is defabrikant niet aansprakelijk voor schade of letsel welke hetgevolg is van het niet opvolgen van de veiligheid-, bediening-, onderhoud- en installatie-instructies zoalsaangegeven in dit installatievoorschrift. 3. 3 Eisen aan opstellingruimte- Het toestel dient in een droge en vorstvrije ruimtegeplaatst te worden.
Iedere andere toepassing isongeoorloofd;- het toestel kan staand geplaatst worden in een woning,ketelhuis, berging, kelder of vergelijkbare ruimte;- het toestel moet vrij bereikbaar zijn voor onderhoud enreparatie;- de opstellingsruimte moet voldoen aan de daarvoorgeldende wettelijke eisen. 3.
64 BEDIENING4. 1 Controle voor het in bedrijf nemen4. 1. 1 Openen van afsluitersZorg dat de eventueel aangebrachte afsluiters in het cv-systeem open staan. Opmerking. Afsluiters en overige appendagesbehoren niet tot de leveringsomvang van hettoestel. Deze worden apart door de installateuraangebracht. Voor vragen en of uitleg over de werking van de verschillende appendages,dient u contact op te nemen met deinstallateur. 4. 1. 2 Waterdruk controlerenControleer de systeemdruk (vuldruk) aan de hand van dedrukmeter welke buiten het toestel in het leidingsysteem isaangebracht. De systeemdruk behoort bij een koude instal-latie tussen de 1,5 en 2 bar te zijn (maximaal 3 bar). Is dedruk lager dan 0,8 bar, dan dient de installatie bijgevuld teworden. 4.
2 Overzicht van het bedieningspaneelHet bedieningspaneel heeft de volgende functies:1RESET-toets: een storing, aangeduid met een knipperendecode in het display, wordt door het indrukken van deRESET-toets hersteld. Treedt de storing opnieuw op,neem dan contact op met uw installateur. 2Display voor de aanduiding van de actuele bedrijfsstand,menu of overige informatie. 3MODE-toets voor het kiezen van de verschillende functiesin het menu. 4STEP-toets : nadat men de gewenste mode heeftopgeroepen, kunnen door het indrukken van de STEP-toets, de verschillende parameters worden opgeroepen. 5STORE-toets : alle aanpassingen moeten door hetindrukken van de STORE-toets bevestigd worden. De instelling knippert ter bevestiging. 6-7 +/- toetsen: na het oproepen van de parameters kunnend. m. v. de + en – toets de instellingen worden aangepast.
8Storing indicatie van de afzonderlijke branderautomaten(CVI) per brandermodule. 9Knop voor het in- en uitschakelen van het toestel. Figuur 4. 2 Bedieningspaneel4. 3 Toestel in- en uitschakelenLet op. De netspanning-schakelaar mag alleeningeschakeld worden indien het verwarming-systeem op de normale werkdruk gevuld is. Met de knop 9 (figuur 4. 2) schakelt u het toestel in of uit.
Indien de knop ingedrukt is en groen brandt, is het toestelingeschakeld. Let op. De vorstbeveiliging en overige veilig-heden zijn alleen in bedrijf als de netspanningaanwezig is en de schakelaar op het toestelingedrukt is en groen brandt. 4. 4 Display met multifunctionele aanduidingHet toestel is met een digitaal informatie- en analyse-systeem uitgerust. Dit systeem geeft u informatie over debedrijfsstand van het toestel en helpt bij het aangeven vanstoringen (zie figuur 4. 2. ). In bedrijfsstand en bij branderbedrijf wordt in het displayeen 1-cijferige bedrijfscode aangegeven. Deze geeft deactuele aanvoertemperatuur aan. Bijvoorbeeld: “3 45”;branderbedrijf “3” en aanvoertemperatuur “45 °C”. 4. 4. 1 BedrijfsaanduidingDe bedrijfsaanduiding geeft u informatie over de bedrijfs-toestand van het toestel. De bedrijfscodes 1, 2 en 5verschijnen bij de start van elke afzonderlijke brander-module.
74. 4. 2 Menu overzichtFiguur 4. 4. 2 Menu overzicht4. 5 Instellingen voor verwarming enwarmwater bedrijfAlle instellingen welke aangepast kunnen worden zijnvanuit de fabriek vooraf ingesteld, of door de installateuraangepast. Verander geen vooraf ingestelde waarden. Alle schakeltijden en temperaturen voor individueleaanpassing aan het toestel zijn naar wens in te stellen. Advies is om dit alleen in overleg met uw installateur tedoen. De volgende instelling kunt u zelf wijzigen. 4. 5. 1 Maximale aanvoertemperatuur wijzigenDe maximale aanvoertemperatuur kan in de parameter-mode onder punt 3 ingesteld worden tussen de 30 °C en90 °C. Figuur 4. 5. 1 Instellen van de aanvoertemperatuurLet op. Om te voorkomen dat mogelijkstoringen optreden, is het advies om alleandere instellingen in de parametermode niette wijzigen.
Status offoutaanduidingMinFabrieks-instellingMaxDiagnose modeInstellenAanduidingParameternr. Parameternr. Parameternr. Warmwater temp. Bedrijfsstand Instelling van de maximaleaanvoertemperatuurBedrijfsinstelling magniet veranderd wordenBedrijfsinstelling magniet veranderd worden Ingestelde waarde met‘STORE’ vastzetten. STEPSTEP STEPSTEPSTOREMODEMODEKetel aanvoer-temperatuurKetel retour-temperatuurOverzichtparameter 1 t/m 8Parameternr. Temp. (˚C)Parameternr. Temp. (˚C)STEP STEPParameternr. STEPSTEPStoringen worden afwisselendmet de standaardaanduiding weergegevenSTEPMODEMinFabrieks-instellingMaxParameternr. Instelling van de maximaleaanvoertemperatuurIngestelde waarde met‘STORE’ vastzetten. 1xSTORE4. 6 Diagnose modeIn de diagnose mode kunt u de instelling van elke para-meter inzien en controleren. Aanpassing van de instelling isin deze mode niet mogelijk.
- Drukt u tweemaal op de MODE-toets, tot “data” in hetdisplay verschijnt;- door dan herhaaldelijk op de STEP-toets te drukken, kuntachtereenvolgens de volgende parameters bekijken:Aanduiding Verklaring Eenheid1Ingestelde ketel aanvoertemperatuur °C2Ingestelde ketel retourtemperatuur °C3Geen functie -4Geen functie -5Geen functie -6Gemeten aanvoertemperatuur °C7Gemeten ventilator toerental min-18Capaciteit warmtevraag, 1 module (40 kW = 100%)b. v. 250 % = 2,5 x 40 kW = 100 kW %Tabel 4. 6 Parameter overzicht in diagnose modeIndien bij een van de parameters een negatieve waardewordt aangegeven, dan is de betreffende voeler defectof niet aangesloten.
85 STORINGENIndien de ketel niet in bedrijf gaat en/of een storingaangeeft, controleer dan eerst het volgende:- Is de hoofdstroom voorziening ingeschakeld. - Is de netschakelaar ingeschakeld, brandt het groenelampje op de ketel. - Is er warmtevraag vanuit de externe regeling. (kamerthermostaat)- Is de gaskraan geopend. - Is de systeemdruk voldoende > 0,8 bar. (werkdruk tussen 1,5 en 2 bar)5. 1 Resetten van een storingStoring aan een ketelmodule wordt weergegeven doordatde betreffende rode knop op het bedieningspaneel van deketel gaat branden. Voor het resetten van de ketel gaat uals volgt te werk:- reset de betreffende ketelmodule door de brandenderode knop op het bedieningspaneel in te drukken;- reset vervolgens de regeling van de ketel door de RESET-toets naast het display in te drukken. Let op. Reset de ketel altijd in de juistevolgorde zoals voorafgaand is beschreven. Opmerking.
Indien na het starten van de ketelde rode knop weer gaat branden, deze danbinnen 5 seconden opnieuw indrukken. Gevaar. Indien het toestel na driemaal eenreset te hebben uitgevoerd nog steeds eenstoring aangeeft, neem dan contact op met deinstallateur. Het bedieningspaneel heeft de volgende functies:1Storing indicatie van de afzonderlijke branderautomaten(CVI) per brandermodule. 2RESET-toets: een storing, aangeduid met een knipperendecode in het display, wordt door het indrukken van deRESET-toets hersteld. Treedt de storing opnieuw op,neem dan contact op met uw installateur. Figuur 5. 1. Resetten van een storing6 REINIGING EN ONDERHOUD 6. 1 ReinigingReinigt u de mantel van het toestel met een licht vochtigedoek en eventueel zeep welke PH-neutraal is. Opmerking. Gebruik geen agressievevloeistoffen, schuur- of reinigingsmiddel diede mantel of lak kunnen beschadigen. 6.
Regelmatig onderhoudverminderdt de kans op storingen en verlengt de levens-duur van het toestel. Aanbeveling is dat op het toesteleenmaal per twee jaar inspectie en onderhoud plaatsvindt. Gevaar. Voer nooit zelf onderhoud ofreparaties uit aan een toestel. Onderhoud enreparaties dienen uitgevoerd te worden door een erkend installateur. Ondeskundigonderhoud of reparatie kan schade aan toestelen personen tot gevolg hebben. Let op. Toestellen met een vermogen > 120 kW dienen te worden geïnspecteerd en onderhouden volgens de AMVB door eenSCIOS-gecertificeerd bedrijf. 6. 3 Systeemdruk controlerenVoor het normaal functioneren van het toestel en deverwarmingsinstallatie dient de systeemdruk van de installatie bij het toestel en bij een koude installatie 1,5 tot2 bar te zijn. Indien de druk lager is dan 0,8 bar moet de verwarmingsinstallatie met water bijgevuld worden.
In het toestel is een laagwaterdruk-beveiliging gemonteerdwelke het toestel uitschakelt bij een druk lager dan 0,2 bar. Dit wordt in het display aangeduid met E26. Vanaf eensysteemdruk van 0,8 bar gaat deze foutmelding weg. 6. 3. 1 Installatie bijvullenAfsluiters, vulinrichting en overige appendages behorenniet tot de leveringsomvang van het toestel. Deze wordenapart door de installateur aangebracht. Voor vragen en ofuitleg over de werking van de verschillende appendages ofhoe u bij moet vullen, dient u contact op te nemen met deinstallateur. Let op. De installatie mag alleen met waterbijgevuld worden. Het is niet toegestaan omzonder schriftelijke goedkeuring van AWB,vorstverlagende of andere middelen toe tevoegen aan het cv-water. 21.
97 OVERIGE INFORMATIEBij vragen, storingen of gebreken aan toestel of installatie,neem dan contact op met uw installateur. Deze kan uinformeren en storingen onderzoeken of herstellen.7.1 ToebehorenGebruik voor het toestel uitsluitend AWB onderdelen welkevia uw installateur verkrijgbaar zijn. Er mogen enkel onder-delen gebruikt worden welke aan de door AWB cv-ketels b.v.vereiste veiligheids- en bedrijfsspecificaties voldoen.Gerepareerde onderdelen of onderdelen van een anderfabrikaat welke niet uitdrukkelijk zijn goedgekeurd doorAWB cv-ketels b.v. mogen niet gebruikt worden. Alleen bij het gebruik van originele onderdelen, garandeertAWB cv-ketels b.v. de CE-conformiteit van dit toestel.
de rookgasafvoer-aansluiting 143.5 Installatie 143.6 Aanpassingen aan het toestel 143.7 Veiligheidsrichtlijn 144Montage en installatie algemeen 154.1 Leveringsomvang 154.2 Eisen aan de opstellingsruimte 154.2.1 Opbouw en kenmerken 154.2.2 Afmetingen 164.2.3 Positionering van de ketel 165Montage en installatie van toestel 175.1 Algemene richtlijnen voor de verwarmingsinstallatie 175.2 Gas-aansluiting 175.3 CV-zijdige aansluiting 175.3.1 Benodigd waterdebiet 185.3.2 Overdrukveiligheid 185.3.3 Manometer 185.3.4 Open verdeler 185.3.5 CV-filter 185.3.6 Vorstbeveiliging 185.4 Warmwater-boiler aansluiten 185.5 Hydraulisch schema van een installatie 195.6 Rookgasafvoer-aansluiting, luchttoevoer onafhankelijk (gesloten opstelling) 195.7 Rookgasafvoer-aansluiting, luchttoevoer afhankelijk (open opstelling) 195.8 Aansluiten van het toestel op de rookgasafvoer 195.9 Condenswaterafvoer 205.10 Elektrische aansluitingen 205.10.1 Netvoeding aansluiten 205.10.2 Externe regeling aansluiten 205.10.3 Interne regeling 205.10.4 Aansluiten elektrische toebehoren 216In bedrijfstelling en bediening 216.1 Servicecode ingeven 216.2 Overzicht functies bedieningsdisplay 226.3 Toestel in bedrijf nemen 236.4 Vullen van het systeem 246.4.1 CV-installatie vullen 246.4.2 Sifon vullen 24
116.5 Gas-afstelling controleren 246.5.1 Gas-voordruk controleren 246.5.2 Test mode 256.5.3 Controle en afstelling van CO2256.6 Controle toestelwerking 266.7 Voorlichting aan de gebruiker 266.7.1 Te geven instructies aan de gebruiker 277Aanpassingen aan de installatie 287.1 Maximale aanvoertemperatuur instellen 297.2 Nadraaitijd pomp instellen 297.3 Vermogensinstelling bij boilers 297.4 Modulatiegedrag 298Inspectie en onderhoud 298.1 Garantie 298.2 Aansprakelijkheid 298.3 Weergave van de bedrijfsuren 298.4 Rookgascontrole-mode 308.5 Onderhoud controle-lijst 308.6 Reiniging van de condensbak 318.7 Demontage/montage van de condensbak 318.8 Reiniging van de sifon 318.9 Controle van de luchtdrukschakelaar 328.10 Reiniging van een brander 328.11 Controle van de werking 329Storingen 339.1 Data-mode 339.2 Geen display 339.3 Externe pomp aansturing 339.4 Regeling 339.4.1 Toestel reageert niet op warmtevraag vanuit 0-10 V aansturing 339.4.2 Toestel reageert niet op 2-punts aan/uit regelaar 349.4.3 Toestel reageert niet op modulerende regeling (OpenTherm®)349.5 Toestel reageert niet op warmwater-sensor 349.6 Diagnose mode 349.6.1 Vergrendelende storingen 349.6.2 Niet vergrendelende storingen 349.7 Meetwaarden van de componenten 359.7.1 Pressostaten 359.7.2 NTC temperatuur sensor 369.7.3 Ionisatiestroom 369.8 Storing zoeksleutels 369.8.1 Onvoldoende warmte-opbrengst 369.8.2 Branderstoringen 379.8.3 Geen warmte in systeem 389.9 Resetten van het toestel 3810 Technische specificaties 3911 Transport en verpakking 4011.1 Afmetingen inclusief verpakking 4012 Verklarende woordenlijst 40Invulblad instelgegevens 41
121AANWIJZINGEN TOT DE DOCUMENTATIEDe volgende aanwijzingen zijn een wegwijzer door hetinstallatievoorschrift. 1. 1 Bewaren van de documentatieGeeft u a. u. b. deze bediening- en installatiehandleidingaan de eindgebruiker door. Deze dient ervoor zorg tedragen dat deze bediening- en installatiehandleiding goedbewaard wordt zodat het, indien nodig, gebruikt kanworden. 1. 2 Gebruikte symbolenLet u bij bediening en installatie van het toestel op deveiligheidsvoorschriften in deze installatiehandleiding. Gevaar. Direct levensbedreigend. Gevaar. Levensgevaarlijk door spanning. Let op. Mogelijk gevaarlijke situatie voor producten omgeving. Opmerking. Nuttige informatie en aanwijzingen. 2 TOESTELBESCHRIJVING2.
Deze is na het afnemen van de voordekselzichtbaar. De aanduidingen op de typeplaat hebben devolgende betekenis:1 Serienummer2 Homologatiegegevens3 Technische kenmerken van het toestel4 CE-keurmerk5 Type aanduidingFiguur 2. 2 Typeplaat2.
3 ToepassingHet toestel is ontworpen voor de verwarming van ruimtenals onderdeel van een cv-installatie, uitgelegd op een maximale aanvoertemperatuur van 80 °C en een daarbijbehorende retourtemperatuur van 60 °C, met een maxi-male systeemwerkdruk van 3 bar. Het toestel kan toegepastworden in nieuwe installaties, maar is ook geschikt voorhet moderniseren van een bestaande verwarmings-installatie, zowel in individuele en collectieve woningen alsin utiliteit. Het toestel wordt gebruikt in combinatie meteen voorziening voor de regeling van de verwarming metaanpassing van de temperatuur. Voor schade of letsel welke voortvloeit uit gebruik van hettoestel anders dan omschreven in dit installatie- en bedie-ningsvoorschrift kan de fabrikant niet aansprakelijk gesteldworden.
Voorts is de fabrikant niet aansprakelijk voorschade of letsel welke het gevolg is van het niet opvolgenvan de veiligheid-, bediening-, onderhoud- en installatie-instructies zoals aangegeven in dit installatievoorschrift. 12354.
132. 4 PrincipewerkingHet toestel is opgebouwd uit aan elkaar geschakeldebranderkamers die ieder hun eigen brander, ventilator,gasblok en ontsteekunit hebben. Een branderkamer,brander, ventilator, gasblok en ontsteekunit samen-gebouwd, wordt “module” genoemd. Elke module levertminimaal 12 kW en maximaal 40 kW vermogen. Een 280 kW toestel is dus opgebouwd uit 7 modules. Iedere module is voorzien van een (lokale) NTC die er voorzorgt dat de temperatuur lokaal niet te hoog wordt. De gezamenlijke aanvoer- en retourleiding zijn beide voor-zien van een (globale) NTC. Deze globale NTC’s bewakende uitgaande en teruggevoerde watertemperatuur. De voor verbranding benodigde lucht wordt uit de opstel-lingsruimte (B-type) of van buiten (C-type) door deventilatoren aangezogen. Het toestel start bij elke warmte-vraag de module met de minste branduren.
Het toestel isdaarvoor voorzien van een brandurenteller per module. Een module start op 80% van zijn capaciteit en gaatvervolgens op minimaal vermogen van 12 kW branden. Vervolgens komt module twee in bedrijf welke ook op12 kW gaat branden. Vervolgens start module drie enz. Indien alle modules op 12 kW in bedrijf zijn zullen allebranders tegelijk modulerend op een hoger vermogengaan branden, afhankelijk van de globale aanvoer enretourtemperatuur. Indien alle branders terug modulerentot het laagste vermogen van elk 12 kW en er is nogminder vermogen nodig, zullen een voor een de brandersworden uitgeschakeld. De totale startprocedure van eenmodule duurt ± 30 seconden. Het opmoduleren van eenmodule naar maximaal vermogen duurt ± 15 seconden. 2. 5 Overzicht van componenten123546781011121314151617181920212223242526272829930Figuur 2.
143VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN3. 1 VeiligheidsaanwijzingDe installatie van het toestel dient te gebeuren door een erkend installateur. Hierbij moeten de volgende voor-schriften en richtlijnen in acht worden genomen:- bouwbesluit;- veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallatieNEN 1010;- voorschriften voor het aansluiten op binnenrioleringen inwoningen en woongebouwen NEN 3287;- voorschriften voor ventilatie van woningen enwoongebouwen NEN 1087/NEN 1088;- eisen voor industriële gasinstallatie NEN 2078;- eisen voor verbrandingsinstallaties NEN 3028;- afvoer van rook van gebouwgebonden verbrandings-installaties met een belasting groter dan 130 kW (bw)NEN 2757;- eventueel voorschriften van lokale gemeente ennutsbedrijven;- dit installatievoorschrift. 3.
2 VoorschriftenDe volgende voorschriften en richtlijnen moeten in achtworden genomen:- bouwbesluit;- veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallatieNEN1010;- voorschriften voor het aansluiten op binnenrioleringen inwoningen en woongebouwen NEN 3287;- voorschriften voor ventilatie van woningen enwoongebouwen NEN 1087/NEN1088;- eventueel voorschriften van lokale gemeente ennutsbedrijven;- dit installatievoorschrift. 3. 3 BedrijfDe verbrandingstoevoerlucht mag in geen geval chemischestoffen zoals fluor, chloor en zwavel bevatten. Spuitbussen,oplosmiddelen, verf of lijm kunnen dergelijke stoffenbevatten; ze kunnen in het slechtste geval tijdens dewerking van het toestel corrosie doen ontstaan, ook in hetrookgascircuit. Let op. Om de brander niet te vervuilen moetde verbrandingstoevoerlucht vrij zijn vandeeltjes.
Controleer dus of de verbrandings-toevoerlucht geen stof bevat dat afkomstig isvan bouwwerkzaamheden of vezels vanisolatiemateriaal. Daarom is de ketel vanuit de fabriek uitgerust met een stoffilter. Tijdens de bouwwerkzaamheden is dit filteronontbeerlijk voor de goede werking van de ketel. Het filtermoet om de 10 weken vervangen worden of nog frequenterbij grotere vervuiling.
Als eenmaal de bouwwerkzaamhedenbeëindigd zijn, moet het filter verwijderd worden. Let op. Het filter heeft een belastingsverlagingvan maximaal 25 % tot gevolg en mag daar-door niet permanent blijven zitten. Bij toepassing anders dan woningen, zoals kapsalons,carrosseriewerkplaatsen of metaalwerkplaatsen en schoon-maakbedrijven, is het aan te bevelen om het toestel als“gesloten” toestel toe te passen, om de toevoer te garan-deren van lucht die vrij is van chemische stoffen. Het is nietstrikt noodzakelijk om ruimte te laten tussen het toestel enbrandbaar materiaal (minimumafstand tot een muur = 5 mm)aangezien geen enkel onderdeel aan de buitenkant van deketel warmer wordt dan het toegestane max. van 85 °C bijwerking op nominaal thermisch vermogen (neem des-alniettemin de aanbevolen minimumafstanden in acht). 3. 4 Instructie i. v. m.
de rookgasafvoer-aansluitingDoordat de ketel modulerend werkt en het debiet van deverbrandingslucht wordt aangepast aan het vermogen, ishet mogelijk een hoog rendement van de verwarmings-installatie te verwezenlijken. Daarvoor is het nodig dat derookgasafvoer geschikt en gekeurd is voor HR toestellen. 3. 5 InstallatieSpoel het verwarmingssysteem zorgvuldig alvorens hettoestel aan te sluiten. U kunt zo bezinksel/resten uit deleidingen verwijderen (zoals roet, koolaanslag, hennep,stopverf, roest, onzuiverheden en andere). Ze zouden inhet toestel kunnen neerslaan en tot defecten kunnen leiden. Zorg ervoor om spanningen te vermijden bij de montagevan leidingen, zodat er geen lekken ontstaan in de verwar-mingsinstallatie en in de gas-aansluitingen. Gebruik in elkgeval een passende platte sleutel om de schroefkoppelingenaan te halen of los te draaien (geen buizentangen, verleng-stukken enz. ).
Om degeschroefde koppeling van de branderkappen, de aanvoer-leiding en de retourleiding op het warmtewisselaarblok aante draaien, moet u altijd een momentsleutel gebruiken dieis afgesteld op een aanhaalkoppel van 12 Nm. Let op. Overschrijd de maximale druk van125 mbar NIET tijdens de controle van de dicht-heid van het gasregelblok. De werkdruk magniet meer dan 25 ± 5 mbar bedragen. Als dedruk hoger wordt dan de opgegeven waardenkan het gasmechanisme beschadigd worden. 3. 6 Aanpassingen aan het toestelAanpassingen aan het systeem of toestel, reparatie enonderhoud dienen uitgevoerd te worden door een erkendinstallateur. Let op. Wanneer u onderdelen van dit toestelvervangt, gebruik dan alleen serviceonderdelen waarvan u zeker weet dat ze aande door AWB cv-ketels b. v. vereiste veiligheids-en bedrijfsspecificaties voldoen.
Het gebruikvan geprepareerde onderdelen of onderdelenvan een ander fabrikaat welke niet uitdrukke-lijk zijn goedgekeurd door AWB cv-ketels b. v. is niet toegestaan. Alleen bij het gebruik vanoriginele onderdelen, garandeert AWB cv-ketels b. v. de CE-conformiteit van dit toestel. Opmerking. Het is niet toegestaan om zonderschriftelijke goedkeuring van AWB, vorst-verlagende of andere middelen toe te voegenaan het cv-water. 3. 7 VeiligheidsrichtlijnGevaar door spanningvoerende delen enaansluitingen. Schakelt u het toestel uit,voordat u aan het toestel gaat werken. De voedingsklemmen in de bedieningsdoos van het toestelstaan onder spanning, ook wanneer de hoofdschakelaaruitgeschakeld is. Onderbreek de elektrische voeding alvorenswerkzaamheden aan het toestel uit te voeren en blokkeerdeze om elke herinschakeling te verhinderen.
154 MONTAGE EN INSTALLATIE ALGEMEENDe ketels worden aansluitklaar geleverd in een verpak-kingseenheid met gemonteerde mantel. Het toestel is opeen houten pallet bevestigd. Let op. Deze minipallet dient enkel voor hettransport. Hij bevindt zich vlak onder decondensopvangbak en moet gedemonteerdworden na de installatie van de ketel om elkbrandgevaar te vermijden. Schroef de twee zijdelingse schroeven los en verwijder depallet. 4. 1 Leveringsomvang1. Toestel2. InstallatievoorschriftFiguur 4. 1 Leveringsomvang4. 2 Eisen aan opstellingruimte- Het toestel dient in een droge en vorstvrije ruimtegeplaatst te worden.
Iedere andere toepassing isongeoorloofd;- de omgevingstemperatuur van het toestel moet tussen4°Cen 50 °C liggen;- het toestel kan staand geplaatst worden in een woning,ketelhuis, berging, kelder of vergelijkbare ruimte;- toestel moet vrij bereikbaar zijn voor onderhoud enreparatie;- opstellingsruimte moet voldoen aan de daarvoorgeldende wettelijke eisen. Bij de keuze van de installatieplaats moet u rekeninghouden met het gewicht van de ketel gevuld met water. Voor de geluidsisolatie kunt u, indien nodig, de ketel opeen geluiddempend platform of iets dergelijks zetten; weraden aan om de ketel op een fundering van 5 tot 10 cmdik te plaatsen. Om de montage- en onderhoudswerkzaamheden te ver-gemakkelijken, moeten de minimumafstanden aangeduidin de volgende figuur aangehouden worden. Figuur 4. 3 Maatvoering opstelling4. 2.
temperatuur van de rookgassen < 90 °C;- interne bescherming tegen vorst;- interface voor de bediening afhankelijk van detemperatuur en het vermogen;- roestvrijstalen condensopvangbak (demonteerbaar);- sifon in PP;- verstelbare ketelvoetjes;- weinig schadelijk voor het milieu door een beperkteuitstoot van toxische producten, NOx < 60 mg/kWh enCO < 20 mg/kWh, keurmerk SV;- genormaliseerd nuttig rendement 109 % bij 40/30 °C,keurmerk HR107;- geleverd op houten pallet. 800800500500maten in mm12.
175 MONTAGE EN INSTALLATIE VANTOESTEL5. 1 Algemene richtlijnen voor deverwarmingsinstallatieLet op. Spoel het verwarmingssysteemzorgvuldig alvorens het toestel aan te sluiten. Dit maakt het mogelijk om resten weg tewerken zoals koolaanslag, hennep, stopverf,roest, onzuiverheden en ander vuil uit deleidingen. Ze zouden in het toestel kunnenneerslaan en tot defecten leiden. De condensafvoerleiding dient onder afschot in de richtingvan een aangepaste afvoervoorziening aangebracht teworden. De afvoer moet op elk moment visueel gecontro-leerd kunnen worden. Op het hoogste punt van de verwarmingsinstallatie dienteen ontluchtingsvoorziening aangebracht te worden. Het is niet nodig om een afzonderlijke vul- en aftap-voorziening te installeren in de verwarmingsinstallatie,aangezien het vullen van de installatie kan gebeuren via de vul- en aftapkraan binnen in de ketel.
De in de ketel aangebrachte beveiliging tegen oververhit-ting dient, samen met de laagwaterdruk-beveiliging, alsbeveiliging tegen een eventueel tekort aan water. De temperatuur waarop de verwarmingsketel zal stoppenin geval van storing ligt ongeveer op 95 °C. Wanneer hetverwarmingssysteem kunststof leidingen bevat, kan er eenaangepaste thermostaat aangebracht worden in deaanvoerleiding. Dit kan nodig zijn om de verwarmings-installatie te beschermen tegen thermische schade. De thermostaat kan elektrisch aangesloten worden op deaansluiting van een automatische veiligheidschakelaar(blauwe connector op de aansluitklem 23/24). In het geval dat in de verwarmingsinstallatie kunststofslangen gebruikt worden die niet diffuus dicht zijn,verdient het aanbeveling om een scheidingswisselaar teplaatsen, om corrosie en daardoor ontstaande verontreini-ging in de ketel te vermijden.
Breng een afsluiter aan voor gas met een beschermings-voorziening tegen brand in de gasleiding stroomopwaartsvan het toestel. De kraan moet dezelfde nominale diameterhebben als de gas-aansluiting (R 1 1/2") en op eeneenvoudig toegankelijke plaats aangebracht worden. - Sluit de gasleiding aan op de gas-aansluiting (1) van deketel;- controleer of de gas-aansluiting gasdicht is. De gasleiding en aansluiting dient overeenkomstigNEN 1078 en NEN 3028 of meest recente normen te zijn. Figuur 5. 2 Gas-aansluiting5. 3 CV-zijdige aansluitingLet op. Als het nominale waterdebiet datcirculeert in de installatie onder de opgegevenwaarde daalt, wordt het temperatuurverschiltussen de aanvoer- en retourleiding (delta-T)te groot; dit kan leiden tot de ontregeling vande modules. Controleer het benodigde waterdebiet (nominaal volume-stroom) aan de hand van tabel 5. 3. 1.
De circulatiepomp is niet in de ketel ingebouwd en moetaangebracht worden tijdens de installatie. De 230 V ~ wordtaangesloten op de 3-polige groene stekker (klem 4/5/7), let daarbij op de juiste polariteit. Sluit de bedrading voorde besturing (0 tot 10 V) van een pomp met regelbaartoerental aan op de 2-polige groene stekker (klem 17/18). Figuur 5. 3 CV-aansluitingen1AanvoerRetour.
3 ManometerIn de installatie dient een manometer te worden opgenomen. Let op. De minimale bedrijfsdruk van hettoestel is 0,8 bar. 5. 3. 4 Open verdelerOm een goede werking te garanderen (geen storingen alsgevolg van onvoldoende flow) verdient het aanbevelingom een open verdeler toe te passen. 5. 3. 5 CV-filterHet verdient aanbeveling om in de retourleiding voor deketel een cv-filter op te nemen. Het filter beschermt deketel tegen mogelijke vervuiling vanuit de cv-installatie. 5. 3. 6 VorstbeveiligingDe ketel is voorzien van een vorstbeveiliging. Deze bevei-ligt de ketel maar geeft geen garantie of beveiliging op derest van de installatie. Indien de aanvoertemperatuurgemeten op de globale aanvoer NTC beneden de 7 °Cdaalt, wordt de shuntpomp (indien op ketel aangesloten)automatisch ingeschakeld.
4 Warmwater-boiler aansluitenHet toestel is standaard uitgerust met een zogenaamdeAM-4 uitbreidingsprint om elektrisch een externe boileraan te sluiten. De centrale hoofdprint (MBD) kan vervolgens bij een detecteerde warmtevraag een 230 V~ (max. 2A) boilerpomp of 230 V~ driewegklep(klemmen 8/9/10) aansturen. Let op. Bij een warmwater-bereider met eencapaciteit > 45 kW dienen de uitwisselendewarmte media dubbel gescheiden te zijn. 3,02,52,01,51,00,50,00,0 2,0 4,0 6,0 8,0 10,0 12,0 14,0 16,0Flow (m /h)3Weerstand (m water)80 kW Nominalewaarde120 kW 160 kW 200 kW 240 kW 280 kW.
195. 5 Hydraulisch schema van een installatieFiguur 5. 5 Hydraulisch schema5. 6 Rookgasafvoer-aansluiting, luchttoevoeronafhankelijk (gesloten opstelling)De verbrandingslucht die de ketel voedt, wordt recht-streeks van buiten toegevoerd via een luchttoevoerkanaal. De plaats waar de ketel geïnstalleerd is moet in elk gevalgeventileerd worden conform de daarvoor geldendenormen. De ketel mag slechts worden aangesloten met gecontroleerde en gecertificeerde luchttoevoer- enrookgasafvoerkanalen conform de daarvoor geldendeeisen. 5. 7 Roogasafvoer-aansluiting, luchttoevoerafhankelijk (open opstelling)De verbrandingslucht wordt onttrokken uit de opstellings-ruimte. De openingen voor het ventileren van deopstellingsruimte dienen conform de daarvoor geldendeeisen te zijn (condensatieketel type B).
De plaatsing van het rookgasafvoerkanaal als ook deuitmonding moet gebeuren conform de daarvoorgeldende eisen. 5. 8 Aansluiten van het toestel op derookgasafvoerAlle ketels zijn uitgerust met speciale koppelingen voorrookgasafvoer-kanalen zodat er geen condenswater uit kanlekken en ze extra weerstand bieden tegen overdruk. Onder aan het rookgasafvoerkanaal in het toestel is eenmeetopening om een rookgasanalyse uit te voeren. Deze dient onder normale werking afgesloten te zijn metde bijbehorende dop. De rookgasafvoer-kanalen moeten gewaarborgd bestandzijn tegen een temperatuur van minstens 120 °C. Een beveiliging tegen oververhitting (aangepast aan dewarmteweerstand) kan aangebracht worden in het rook-gasafvoerkanaal als de technische voorschriften dieopleggen. Deze beveiliging tegen oververhitting van deafvoerkanalen moet dan in het veiligheidscircuit van deketel opgenomen zijn.
Opmerking. Het verdient aanbeveling om derookgasafvoer-aansluiting op het toesteldemontabel te maken. Er kan natuurlijke trekin de rookgasafvoer onstaan welke van invloedis op een rookgasanalyse tijdens afstelling vanhet toestel. Het loskoppelen van de rookgas-afvoer tijdens de meting voorkomt dezeinvloed.
205. 9 Condenswater-afvoerDe pH-waarde van het condenswater dat geproduceerdwordt per 1 kg/m3aardgas ligt tussen 3,5 en 4,5. Het condenswater bevat geen ontoelaatbare ionen vanzware metalen. De verwarmingsketel is uitgerust met een condensopvang-bak en een condenswater-afvoer. Ofwel stroomt hetcondenswater dat afkomstig is van de verbranding recht-streeks in de riolering, ofwel wordt dit eerst geneutraliseerdom daarna naar de riolering afgevoerd te worden. Let op. Vul de condenswater-sifon alvorens deverwarmingsketel in werking te stellen. Gevaar. Uit een toestel dat werkt met legesifon kunnen giftige verbrandingsproductenontsnappen. Aansluiting van de condensafvoerleiding De condensafvoerleiding moet onder afschot aangebrachtworden met een minimum doorsnede van Ø 40 mm. Hetlozingspunt moet zichtbaar blijven. 5. 10 Elektrische aansluitingenGevaar.
Levensgevaar door elektrocutie terplaatse van onderdelen onder spanning. Onderbreek de elektrische voeding voordatwerkzaamheden aan het toestel uitgevoerdworden en blokkeer deze om elkeherinschakeling te verhinderen. Opmerking. Enkel een erkende installateur dieinstaat voor het naleven van de normen engeldende richtlijnen is gemachtigd om deelektrische installatie te doen. De voedingskabels (netspanning en laagspanning, kabelsvan sensoren enz. ) moeten afzonderlijk gelegd worden. Gevaar. De automatische ontsteking, degasmechanismen en de ventilatoren werkenop een spanning van 230 V/50 Hz. Voer de bedrading als volgt uit:5. 10. 1 Netvoeding aansluitenlet op. Het toestel is fase-gevoeligDe nominale netspanning moet 230 V~ bedragen;netspanningen van meer dan 253 V en minder dan 190 Vkunnen storingen veroorzaken.
Sluit de netvoeding aan via de daartoe voorziene aansluit-klemmen L, N en (klemmen 3/2/1). 5. 10. 2 Externe regeling aansluitenHet toestel kan worden aangesloten met een:- aan/uit-regeling;- modulerende regeling 0-10 V. Beide regelingen kunnen al dan niet weersafhankelijk zijn. De bedrading (regelspanning) afkomstig van een externe 0 –10 V regelaar worden op de klemmen 15 en 16 van deaansluitstrook aangesloten. De brug tussen de aansluit-klemmen 13 en 14 moet dan blijven zitten. Maakt men gebruik van een aan/uit-regelaar verwijderdan de doorverbinding op 13 en 14 en sluit de regelaar opklem 13 en 14 aan. Bij gebruik van een OpenTherm regeling wordt dezeaangesloten op de klemmen 19 en 20, ook dan dient dedoorverbinding op 13 en 14 verwijderd te worden. 5. 10.
216 IN BEDRIJFSTELLING EN BEDIENINGDe bediening van de ketel en de regeling van de verschil-lende parameters en werkingstoestanden gebeuren via hetuitlees- en bedieningspaneel van de ketelbesturing. De regelparameters zijn over twee niveaus verdeeld:-door direct op de toetsen “MODE” en “STEP” te drukkenis het mogelijk de algemene parameters te kiezen en debijbehorende informatie weer te geven, welke de geheleketel betreffen (zie gebruikshandleiding); -door de servicecode in te voeren, kunt u naar het instal-lateurs-menu gaan dat de parameters bevat voor deafzonderlijke brandermodules en de regelingen gekop-peld aan de installatie. 6. 1 Servicecode ingevenGa als volgt te werk om de servicecode in te voeren: - druk gelijktijdig op de toetsen “MODE” en “STEP” enhoud ze ingedrukt.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met AWB ThermoSystem HRM 120-2 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Verwarmingsketel AWB
Handleiding Verwarmingsketel
Nieuwste handleidingen voor Verwarmingsketel