AWB ThermoMasterVR 23.38W Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van AWB ThermoMasterVR 23.38W (28 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarmingsketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 17 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over AWB ThermoMasterVR 23.38W of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | AWB |
| Categorie: | Verwarmingsketel |
| Model: | ThermoMasterVR 23.38W |
Handleiding AWB ThermoMasterVR 23.38W – volledige tekst
voorschriftBewaar dit installatievoorschrift goed in de buurt van het cv-toestel. Bij onderhoud of reparatie kan het belangrijk zijn, dat dit boekje voorhanden is.www.awb.nlInstallatieAAN DE INSTALLATEURMet het toestel dat u gaat plaatsen, installeert u een kwaliteitsproduct. Ondanks de bekendheid van het AWB-concept, heeft deze ketel zaken die nieuw voor u zullen zijn. Lees daarom goed de bijgevoegde instructies. De tijd die u daaraan besteedt, wint u terug bij het installeren. Daarnaast kan een goede uitleg aan de bewoner, over de werking en bediening van de cv-installatie, u veel werk en hem veel ongenoegen besparen. Zijn er problemen of vragen, neem dan contact op met AWB. Met vriendelijke groeten,AWB CV-KETELS23.38 W 23.38 W 23.39 WT23.39 WT
2 PAGINAINHOUDSOPGAVEDeze AWB-installatie is zodanig ontwikkeld en gefabriceerd dat hij voldoet aan alle veiligheids-standaards. Neem altijd de richtlijnen in dit voorschrift in acht, om ervoor te zorgen dat de in deze AWB-installatie aangebrachte veiligheidsvoorzieningen intact blijven. AWB is niet aansprakelijk voor welke schade dan ook, ontstaan door het onjuist of onoordeelkundig installeren, gebruiken, onderhouden en repareren van de installatie. Let hierop, uitwisseling is niet mogelijk. Installatievoorschrift voor de AWB cv-ketel voor gesloten en open toepassing met en zonder warmwatervoorziening. Type 23. 38 W: alleen CV, type 23. 39 WT: CV + WW. Handel altijd volgens de laatste eisen NEN 1010, NEN 1078 en NEN 3028 en eventuele plaatselijke voorschriften. 1 MAATSCHETSEN EN TECHNISCHE GEGEVENS. 31 LIJST VAN COMPONENTEN. 42 MONTAGEVOORSCHRIFT VOOR DE ERKENDE C. V. -INSTALLATEUR.
5-7 2. 1 Opstelling algemeen. 5 2. 2 Montage van het frame met verbrandingsgas-afvoer via afvoerleiding voor open en gesloten uitvoering. 5 2. 3 montage van het frame met geveldoorvoer. 6 2. 4 Algemene montagevoorwaarden. 6 2. 5 Het plaatsen van het toestel in het frame. 6 2. 6 Werkdruk. 7 2. 7 Aftappen. 7 2. 8 Thermostatische radiatorkranen. 73 VERBRANDINGSLUCHT TOEVOER EN VERBRANDINGSGAS-AFVOER. 8-12 3. 1 Open toestel enkelvoudige toepassing. 8 3. 2 Open toestel in meervoudige toepassing. 8 3. 3 Gesloten toestel enkelvoudige toepassing. 8 3. 4 Berekeningsvoorbeeld. 8 3. 5 Gesloten toestel in meervoudige toepassing. 8 3. 6 Gemeenschappelijk afvoersysteem. 8 3. 7 Opstellingsmogelijkheden enkelvoudige toepassingen. 8 3. 8 Leidingsweerstand opgegeven in Pa (Pascal). voor zowel dunwandige als dikwandige toe- an afvoerpijp. 9 3. 9 Condensatie in de verbrandingsgasafvoer-. leidingen. 10 3.
5Figuur 3. Ophangframe met verbrandingsgas-afvoeraansluitstuk2. 1 Opstelling algemeen • Raadpleeg, voor het opstellen, de maatschets van de ketel (figuur 1). • CV-en/of sanitair waterleidingen mogen achter het toe-stel doorlopen (denk echter aan het verbrandingsgas afvoer-aansluitstuk figuur 3). • Bij gebruik van kunststof leidingen dient men een dusda-nige kwaliteit te kiezen, dat er geen diffusie kan optreden. • Indien de ketel als open toestel wordt aangesloten, mag deze niet geplaatst worden in stoffige ruimtes of plaat-sen waar chemische stoffen worden gebruikt of opge-slagen (b. v. meel of haarlak, chemische reinigingsmidde-len, verf, drijfgassen enz. ). • De ventilatieopeningen aan boven en benedenzijde van het frame mogen niet afgedicht worden. • De siermantel dient gemakkelijk te kunnen worden ver-wijderd in verband met het verrichten van service en onderhoudswerkzaamheden.
• Controleer de ketel na het uitpakken op eventuele beschadigingen; dezedirect meldenaandeleverancier. • Bij de ketel hoort een los, vooraf leverbaar, wandframe. Alle installatiewerkzaamheden worden aan dit frame uit-gevoerd. • De verbindingen tussen toestel en frame geschieden met koppelingen. (los bijgeleverd) De zijwanden van het ophangframe zijn voorzien van uitdrukopeningen voor het doorvoeren van luchttoevoer en/of rookgas afvoer. • Volgens GAVO ‘87 met de meest recente aanvullingen geldt, dat voor opstellingen van een gesloten cv-toestel in kleine ruimtes (kast) een beluchtingsopening in deze ruimte gemaakt dient te worden van minimaal 50 cm². 2. 2 Montage van het frame met verbrandingsgas-afvoer via afvoerleiding voor open en gesloten uitvoering (zie figuur 3) 1. Verwijder de verpakking van het frame (platte doos). 2.
Plaats het frame goed waterpas tegen een vlakke, verti-cale wand van brandwerend materiaal. 3. Teken de ophanggaten af. 4. Boor deze gaten en bevestig het frame tegen de muur. Gebruik hiervoor houtdraadbouten.
Indien er keilbouten worden gebruikt kunnen de uitstekende draadeinden hiervan problemen geven bij het monteren van de lucht-toevoer en rookgas afvoerleidingen. 5. Verwijder de verpakking van het verbrandingsgasafvoer aansluitstuk. 6. Plaats het aansluitstuk in de gewenste positie in het frame tussen de daarvoor aanwezige lippen (figuur 3). Voor gesloten uitvoering kan de pijpmond van de ver-brandingsgasafvoer naar links, naar rechts of onder een hoek van 45°geplaatst worden. Bij een open uitvoering kan de pijpmond naar links, rechts of naar boven gericht worden. Hierna de lippen omslaan zodat het aansluitstuk vastzit. 7. Monteer de verbrandingsgasafvoerleiding ∅ 80 in de pijpmond van het aansluitstuk. Voor gesloten uitvoering recht naar links of rechts of met een bocht naar boven. Bij een open uitvoering kunt u in principe alle richtingen uit.
Links en rechts in het ophangframe bevinden zich verwijderbare afsluitingen (zg. knock-outs) voor de door-voer van lucht toevoer en/of verbrandingsgasafvoerlei-dingen. Verwijder alleen de benodigde knockouts. Wanneer het ophangframe geplaatst is kunnen eventueel alle leidingen reeds voorgemonteerd worden. De aansluitkoppe-lingen hiervoor zijn los bijgeleverd en kunnen desgewenst vooraf voorzien worden van aansluitknieën en daarna met de schuifclip in het frame bevestigd worden (zie figuur 5). 2 MONTAGEVOORSCHRIFT VOOR DE ERKENDE C. V. -INSTALLATEUR Bij aansluiting van verbrandingsgas-afvoer naar boven, het aansluitstuk bij voorkeur onder een hoek van 45° plaatsen en voorzien van 1 bocht ∅ 80-45° i. v. m. beperking drukverlies (zie figuur 1A), (een bocht Ø 80-90° past niet). Figuur 4.
6Figuur 5. Ophangframe met losse koppelingen en schuifclips. Figuur 6. Afmetingen geveldoorvoerset lengte binnenpijp =dikte muur + 195 mm lengte buitenpijp = dikte muur + 18 mmdikte muur maxim. 305 mm borgen met plaatschroef ∅ 70/100 2. 3 montage van het frame met geveldoorvoer (zie figuur 6 + 7) 1. Verwijder de verpakking van het frame (platte doos). 2. Plaats het frame op de exacte plaats, goed waterpas tegen een vlakke, verticale wand van brandwerend materiaal. 3. Teken de ophanggaten en het gat voor de muurdoor-voer af, het onderste gat in het frame ∅ 120 mm (zie figuur 1). 4. Boor de bevestigingsgaten en het gat voor de muur-doorvoer: ∅ 110 mm. 5. Bevestig het frame tegen de muur. Gebruik hiervoor houtdraadbouten of keilbouten. 6. Meet de muurdikte (max. 350 mm) (zie figuur 6). 7. Verwijder de verpakking van de muurdoorvoerset. 8.
Bij een muurdikte van minder dan 305 mm, dienen met-deze set de volgende handelingen te worden verricht: a. Kort de buitenpijp aan de tegenovergestelde kant van de korf in, zodat L = muurdikte +18 mm. b. Kort de binnenpijp in, zodat L = muurdikte + 195 mm. c. Schuif de buitenpijp weer om de binnnenpijp. 9. Schuif nu deze pijpen met rooster over de pijpmond van verbrandingsgasafvoer/luchtaanzuigdoos. Boor nu een gat ∅ 3,2 mm door de buitenpijp en pijpmond en schroef hierin de meegeleverde plaatschroef, e. e. a. ter vergrendeling. 10. Schuif nu de gehele set zover in de muuropening, dat de verbrandingsgas afvoer/luchtaanzuigdoos tussen de daarvoor aanwezige lippen, tegen de achterwand van het frame komt. Hierna dienen deze lippen te worden omgeslagen (zie figuur 7). 11. Bij een muurdikte van meer dan 305 mm is een gevel-doorvoer niet toepasbaar. 2.
U voorkomt hiermee veel problemen met de apparatuur. • Zorg dat er zich geen vuil in de gasleiding bevindt. • Blaas deze eventueel goed schoon. • Zorg dat alle leidingen spanningvrij worden gemonteerd om lawaai te voorkomen. • Neergaande leidingen moeten worden voorzien van een ontluchtingsmogelijkheid. • De sanitairleidingen dienen door een erkende installateur te worden verzorgd, volgens de voorschriften van het plaatselijk waterleidingbedrijf. • Maak de naden in dunwandige luchttoevoerleidingen goed dicht met aluminium tape met GIVEG keur of met een ander geoorloofd middel met GIVEG keur. Voor verbrandingsgasafvoerleidingen mag uit- sluitend gebruik gemaakt worden van materialen zoals omschreven in de meest recente uitgave van NEN 1078. 2. 5 Het plaatsen van het toestel in het frame A. Verbrandingsgasafvoer bij open toestel met vrije luchttoevoer.
Verbrandingsgasafvoer en luchttoevoer bij gesloten toestel 1. Neem het toestel uit de doos. 2. Controleer of de pakking, die om de verbrandingsgasaf-voer van het toestel is gemonteerd, goed is aangebracht en verwijder de afdichtingsdoppen uit de aansluitleidin-gen. Let op: Er kan vuil water uit het toestel lopen. 3. Hang het toestel met de aan de bovenkant bevestigde ophanghaken in de 2 binnenste sleuven van het frame. Houd het toestel hierbij iets schuin. Laat na het ophan-gen het toestel tegen het frame zakken. 4. Bij toepassing van gesloten toestel: Monteer op de aanzuigopening van de ventilator de ventilatorbocht en maak de aansluiting naar de luchttoevoerleiding ∅ 80 (zie figuur 4).
7Figuur 7. Ophangframe met geveldoorvoerset Figuur 8 Ophangframe met dubbelpijps aansluiting∅ 80∅ 801705. Draai de wartels van de verschillende aansluitpunten van het toestel op de nippels van het aansluitframe met een passende sleutel vast. De aansluitnippels van het frame alsmede 5 schuifclips zijn los meegeleverd in de verpak-king van het frame. Voor montage hiervan zie pagina 3 rechtsonder + figuur 5. B. Geveldoorvoer bij gesloten toestel 1. Neem het toestel uit de doos. 2. Controleer of de pakking, die om de verbrandingsgasaf-voer van het toestel is gemonteerd, goed zit en verwijder de afdichtingsstoppen uit de aansluitleidingen. Let op: Er kan vuil water uit het toestel lopen. 3. Schuif de aluminium tussenring op de pijpmond van de geveldoorvoerset (zie figuur 7). 4.
Hang het toestel met de, aan de achterbovenzijde ge-monteerde ophanghaken, in de twee binnenste sleuven in het ophangframe. Houd het toestel hierbij iets schuin naar achter. 5. Laat, na het inhaken, het toestel voorzichtig tegen het frame zakken. 6. Controleer of de pakkingring, rond de verbrandings- gasafvoer van het toestel, goed op zijn plaats is blijven zitten en of de tussenring goed op de flensmond van de ventilator zit. 7. Draai de wartels van de aansluitpunten van het toestel op de nippels van de aansluitstrip met een passende sleutel vast. De aansluitnippels van het frame alsmede 5 schuifclips zijn los meegeleverd in de verpakking van het frame. Voor montage hiervan zie pagina 3 rechtson-der + figuur 5. C. Dubbelpijps aansluitstuk In plaats van de geveldoorvoerset kan ook gebruik gemaakt worden van het dubbelpijps aansluitstuk (zie figuur 8).
Zodoende kan men met 2 pijpen ∅ 80 mm rechtstreeks aan de achterzijde het toestel verlaten. De montage van dit dub-belpijps aansluitstuk geschiedt op dezelfde manier als de gevel doorvoerset. Ook de aluminium tussenring voor aan-sluiting op de ventilator niet vergeten (zie figuur 8). 2.
6 Werkdruk De ketel is bestemd voor een gesloten installatie met een minimale overdruk van 0,8 bar (inschakelpunt watergebrek-beveiliging) en een maximale overdruk van 3 bar. Het overstortventiel, 3 bar, is reeds ingebouwd op de retour-leiding. De waterdruk in de installatie moet minimaal 1,5 bar zijn. 2. 7 Aftappen Voor het aftappen de elektriciteit uitschakelen en de gas-kraan dicht draaien. De ketel en de warmwater bereider moeten worden afgetapt via het aftappunt in de installatie. 2. 8 Thermostatische radiatorkranen Bij toepassing hiervan is het noodzakelijk een kortsluitleiding aan te brengen die een flow van minstens 500 l/h over de ketel verzorgt. Leveranciers van thermostatische radiatorkra-nen kunnen hierover informatie geven.
8Het toestel kan gebruikt worden als open of gesloten toestel en is geschikt voor toepassing met een universele dakdoor-voer. 3. 1 Open toestel enkelvoudige toepassingHet toestel betrekt zijn verbrandingslucht uit de opstellings-ruimte en voert de verbrandingsgassen af in een schoor-steen. De afvoer moet worden uitgevoerd als aangegeven in de laatste “Voorschriften voor aardgasinstallaties GAVO NEN 1078”, en worden voorzien van een GIVEG-gekeurde kap om inregenen te voorkomen. Beluchtingsopeningen volgens GAVO-voorschrift. Toestel klasse C. 3. 2 Open toestel in meervoudige toepassingHet gecombineerd aansluiten van open toestellen op één schoorsteen is niet toegestaan volgens NEN 1078. 3. 3 Gesloten toestel enkelvoudige toepassingDe opstellingsmogelijkheden voor gesloten toestellen in enkelvoudige toepassingen zijn aangegeven in figuur 9.
De luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer zijn uitsluitend voor één toestel. De uitvoeringen A, B, C en D zijn gesloten uitvoeringen. Uitvoering E is de open uitvoering zoals be-schreven onder 1 hierboven. A directe geveldoorvoer B uitgangen aan de bovenzijdeC uitgangen aan de linker of rechter zijkant D uitgangen aan de achterzijde Tussen de uitvoeringen B, C en D moeten verbindingen worden aangebracht naar de gevel, resp. dakdoorvoer die ook in figuur 9 zijn aangegeven. De uitmondingen moeten voldoen aan betreffende artikelen in GAVO-voorschriften. Deze artikelen kunnen in de toekomst worden aangepast. Zorg daarom altijd dat u de laatste uitgave hiervan raad-pleegt. Daar waar afwijkingen ontstaan met de geldende GAVO-voorschriften is toestemming vereist van het plaatselijk gasbedrijf. De luchttoevoer en rookgas afvoer moet worden berekend volgens specificatie van AWB.
Bepaal zo nauwkeurig mogelijk de lengte, het aantal bochten en het aantal verlopen in de toevoer- en afvoerleiding (denk ook aan een verloop bij het toestel als u met pijp groter dan ∅ 80 mm naar en van het toestel gaat). Bepaal aan de hand van de gegevens in de tabellen van figuur 9 of de totale weerstand de waarde van de beschik-bare druk niet overschrijdt. Indien de maximale waarde wordt overschreden moet of voor een grotere pijpdiameter worden gekozen, of de totale lengte en aantal bochten, of de uit-mondingsvorm worden veranderd. 3. 4 BerekeningsvoorbeeldIn de tekening in figuur 9 is aangegeven, dat de toestel-uitvoering B met de verticale dakdoorvoer 7 is verbonden. Alles is berekend op diameters van ∅ 80 mm.
Verbrandingsgasafvoer: dikwandig Luchttoevoer: dunwandig Gegevens: lengte afvoer- en toevoerpijp 8 meter, in toe voer- en afvoerleiding 2 bochten 90°, ∅ 80 mm verticale dakdoorvoer ∅ 80 / ∅125 mm. Note: Verbrandingsgas afvoer aansluitstuk is onder een hoek van 45° in het frame geplaatst. In het frame dient dan nog 1 bocht ∅ 80 - 45° geplaatst te worden t. b. v. boven-aansluiting. 3 VERBRANDINGSLUCHT TOEVOER EN VERBRANDINGSGAS-AFVOERDe totale weerstand moet nu kleiner of gelijk (.
9Uitvoering nummer fabrikaat doorlaat Ø mm weerstand totaal Pa AWB 70/100 n.v.t ➋ Burgerhout / Ubbink / Keppel / Cox-Geelen / 80/125 24 Muelink & Grol / Interactive / Metallotherm ALLEEN DUBBELWANDIG ➌ Burgerhout / Ubbink / Keppel / Cox-Geelen / 80/80 11 Muelink & Grol ➍ Burgerhout / Ubbink / Keppel / Cox-Geelen / 80/125 24 Muelink & Grol / Interactive / Metallotherm ALLEEN DUBBELWANDIG ➎ + ➎ Alle uitmondingen moeten 80/80 11 ➏ + ➏ uitgevoerd worden met 90/90 7 ➎ + ➑ GIVEG kap m.u.v. ➑ 100/100 4 Deze moet voorzien worden 110/110 3 van AWB rooster.
10Figuur 12. Voorbeeld van een gescheiden muurdoorvoer9515Figuur 11. Voorbeeld van een gecombineerde muurdoorvoer maximaal 115 75maximaal1200 mm dubbelwandig3. 9 Condensatie in de verbrandingsgasafvoerleidingen Afhankelijk van de uitvoering van de afvoer, kan er condens-vorming ontstaan. De onderstaande tabel geeft aan: de maximaal toelaatbare afvoerlengte inclusief uitmonding, uitgaande van -10°C aangezogen buitenlucht en +10°C omgevingstemperatuur rondom de afvoerleiding. * vanaf 4 meter condensopvang plaatsen LET OP: • De concentrische uitmondingen 2-4-7 (zie figuur 9), dienen voorzien te zijn van een dubbelwandige afvoer-pijp. In verband met het warmte-uitwisselend vermogen van een dergelijke uitmonding geldt hiervoor een klei-nere maximaal toelaatbare afvoerlengte (zie tabel).
• Bij toepassing van een zogenaamde verzamelkap, zie figuur 15 dient de verbrandingsgasafvoerleiding in de kap dubbelwandig te zijn uitgevoerd. • De in de tabel opgenomen lengtes zijn de maximale lengtes, gebaseerd op condensvorming en staan los van de berekening van de weerstand, die overwonnen moet worden. • Indien de omgevingstemperatuur van de afvoerleiding lager is dan +10°C dan moet deze leiding ten alle tijde worden geïsoleerd danwel voorzien worden van een condensafvoer. Bij toepassing van afvoerleidingen met een diameter groter of gelijk aan ∅ 90 mm, moet een condensafvoer worden aangebracht. Bij overschrijding van de maximaal toelaatbare codensatie-vrije afvoerlengte, moet een condensafvoer gemonteerd worden. Figuur 10 geeft hiervan een voorbeeld. De afvoer-leiding moet altijd op afschot naar de condensafvoer gemonteerd worden.
Let op het in elkaar schuiven van de pijpen in verband met aflopen van het condenswater. In de praktijk zal het bovenstaande er over het algemeen toe leiden, dat de afvoerleiding ongeïsoleerd kan blijven in de volgende situaties: Ketel op de bovenste verdieping bij toepassing van een concentrische dakdoorvoer.
De ketels op de 2 bovenste verdiepingen van een hoogbouw, aangesloten op een zgn. verzamelkap. 3. 10 Uitwendige condensatie luchttoevoerleidingen Wanneer een luchttoevoerleiding door ruimtes met een hogere temperatuur dan de luchttoevoer loopt, dan kan uit-wendige condensatie van deze leiding optreden. Ter voor-koming hiervan dient deze leiding te worden geïsoleerd. 3. 11 Accessoires A. Open toepassing: Verbrandingsgas-afvoer-aansluitsuk. Dit is nodig als de afvoer niet naar achteren, maar naar de zij- of bovenkant van het toestel gaat. B. Gesloten toepassing: 1. Complete geveldoorvoerset bestaande uit: • Verbrandingsgas afvoer/luchtaanzuigdoos. • Concentrische muurdoorvoer ∅ 70/100 mm met rooster ∅ 100 mm. • Tussenring. Pijp diameter ∅∅ 80 mm concentrische uitmonding enkelwandig aluminium 6 m 4,5 m * geïsoleerd met 25 mm steenwol of glaswol 20 m 10 m 2.
• Verbrandingsgas-afvoer-aansluitstuk ∅ 80. Dit is nodig als de afvoer niet naar achteren, maar naar de zij- of bovenkant van het toestel gaat. • Ventilatorbocht Ø 80 te gebruiken als de luchttoe-voer van de zij- of bovenkant van het toestel komt. 3. • Dubbelpijps aansluitstuk uitgang Ø 70 inclusief tus-senring voor aansluiting op de ventilator. Dit is nodig als men met 2 pijpen rechtstreeks aan de achterzijde het toestel wil verlaten. 3. 12 Detailtekeningenverticale condensafvoer horizontale condensafvoerFiguur 10. Voorbeeld van condensafvoeren.
11Figuur 15. Voorbeeld van een verzamelkap enkelvoudige toepassing voor hoogbouw Figuur 13. Verbrandingsgasafvoer en luchttoevoer met 2x GIVEG-kap dubbelwandigmin. 400min. 500 60 min.mechanische ventilatieluchttoevoer roosterisolatie openingen min.120 cm² per toestel verbrandingsgas afvoer dubbelwandigFiguur 16. Voorbeeld van een gecombineerde, dubbelwandige horizontale dakdoorvoer Op afschot naar het toestel toe 5 mm per meter
13Figuur 19A. Inregelgrafiek cv-vermogenToestel categorie: Ι 2 L. Gas 25, Aansluitdruk: 20 - 30 mbar. De gasaansluiting dient te geschieden volgens de “Voorschriften voor aardgasinstallaties” GAVO, NEN 1078 en NEN 3028. 4. 1 GasaansluitingBuiten het toestel moet een GIVEG-gekeurde gaskraan wor-den geplaatst, waarvan de maat groter of gelijk is aan de aansluiting van het toestel. 4. 2 BeveiligingDe veiligheid van het toestel wordt gewaarborgd door de thermo-elektrische waakvlambeveiliging (veiligheidsklep). De veiligheidsklep blijft alleen open, wanneer de waakvlam het thermokoppel voldoende verwarmt. Gaat de waakvlam uit, dan koelt het thermokoppel af en sluit de veiligheidsklep binnen 60 sekonden. Tijdens de sluittijd ontsnapt nog gas. Daarom mag men de waakvlam nooit eerder opnieuw ont-steken dan 5 minuten nadat deze is uitgegaan.
Het in de ketel aanwezige gas is in die tijd door de schoorsteen ont-weken. Schema regel- en beveiligingsapparatuur (Zie figuur 21 + 22). 4. 3 Afpersen gasleidingen Als de gasleidingen van het toestel op dichtheid gecontro-leerd worden, mag dit alleen gebeuren met een druk van maximaal 150 mbar. 4. 4 Gasdrukregeling en instelling cv-vermogen De hoeveelheid gas die naar de brander stroomt wordt be-paald door de boring van de spuitstukken en de branderdruk. Zowel de boring als de branderdruk zijn door de fabrikant bepaald. Men kan door wegnemen van de zwarte kunststof-dop op de voorzijde van de regelkast de juiste branderdruk instellen met behulp van de potmeter op de print (zie figuur 20B-3). Dit mag alleen gebeuren bij een lage watertempera-tuur en een hoog ingestelde cv-temperatuur, omdat anders het toestel kan gaan moduleren.
De branderdruk is af te lezen met een U-buis manometer of met een elektronische manometer, die wordt aangesloten op de meetnippel voor de branderdruk (figuur 20A-3) en met behulp van een T-stuk in de compensatie leiding (figuur 19B).
De branderdruk is in te stellen tussen 2,7 en 15,5 mbar, dit komt overeen met een cv-vermogen van 9,0 tot 23,0 kW. De ketel is van fabriekswege ingesteld op een cv-vermogen van 23,0kW. 4 MONTAGEVOORSCHRIFT VOOR DE ERKENDE GASTECHNISCHE INSTALLATEURMen kan het cv-vermogen instellen al naargelang het trans-missieverlies van de woning (zie hiervoor figuur 19A). 4. 5 Ketelwatertemperatuur (fig. 20B-2) Met de potmeter voor cv-temperatuurinstelling is het mogelijk de cv-temperatuur in te stellen tussen 50 °C en 90 °C. 4. 6 Tapwatertemperatuur De tapwatertemperatuur is vast ingesteld op 60 °C. 4. 7 Waakvlam (zie figuur 20A-2) De gashoeveelheid naar de waakvlam kan worden geregeld met de stelschroef op het gasblok (fig.
20A-2); het thermo-koppel geeft bij een goede waakvlamafstelling en de venti-lator in bedrijf op 65V een spanning af van 10 à 12 mV, gemeten tussen uitgang maximaalthermostaat en massa. 4. 8 Werking van de ThermoMaster 23. 38 W/SV (alleen cv) In rustpositie draait de ventilator op laag toerental om de waakvlam van verbrandingslucht te voorzien. De ventilator wordt intermitterend geschakeld, dat wil zeggen 1,5 sec in 2,5 sec uit. Zodra de kamerthermostaat schakelt, gaat de pomp lopen en zal de ventilator naar hoog toerental gescha-keld worden. Zodra de ventilator voldoende druk opge-bouwd heeft zal de luchtdrukschakelaar omschakelen en zal de gasklep openen. De brander start en het toestel is in bedrijf.
De aanvoerleiding is voorzien van een zogenaamde NTC-sensor, deze registreert de aanvoertemperatuur en geeft zijn signaal door aan de elektronische regelaar welke op zijn beurt de aanvoertemperatuur constant houdt op de ingestelde waarde door het signaal naar de elektronische gasklep te regelen. NB. Het toestel is voorzien van een anti-pendel-timer welke het toestel blokkeert gedurende maximaal 2 min. indien de aanvoertemperatuur boven de ingestelde waarde is uitgekomen (regelstop. ).
De anti-pendel-timer wordt geactiveerd bij aanvang van de warmtevraag en bij einde van elke regelstop, zodat de minimale cyclus 120 sec. bedraagt. Indien het toestel dus langer dan 120 sec. gebrand heeft, zal bij einde regelstop het toestel weer onmid-dellijk gaan branden. Reset van de anti-pendelti-mer is mogelijk door einde cv-vraag, of door los nemen van de aansluiting van de NTC-sensor of door kortsluiten hiervan. Figuur 19B. Opmeten branderdruk.
141 Draaiknop instelling cv-temperatuur (verwijder eerst het deksel van de kast) 2 Potmeter instelling branderdruk CV 3 Dipswitches (zie ook fig. 20C) 4 Display Figuur 20C. Dipswitches1 dipswitch t. b. v. pomp on = pomp continu off = pomp niet continu 2 dipswitch t. b. v. ventilator on = ventilator 65V continu off = ventilator 65V intermitterend 3 dipswitch t. b. v. toestelkeuze on = 23. 38 W toestel zonder warmwater off = 23. 39 WT toestel met warmwater of 23. 38 W met boiler 1 Elektrische aansluiting hoofdgasklep 2 Waakvlam instelschroef 3 Meetnippel branderdruk 4 Meetnippel inlaatdruk 5 Bedieningsknop indrukken = aansteken draaien = uit 6 Elektrische aansluiting modureg spoel 7 Afdekkapje 8 Instelschroef minimum branderdruk 9 Instelschroef maximum branderdruk 10 Aansluiting compensatieleiding Figuur 20A. Vooraanzicht gasregelblok Honeywell niet verstellen}Figuur 20B.
Elektrische regelkast 4. 9 Werking van de ThermoMaster 23. 39 WT/SV (cv +ww) Voor de cv-werking zie de 23. 38 W/SV. In rustpositie draait de ventilator op laag toerental, om de waaklvlam van ver-brandingslucht te voorzien. De ventilator wordt intermitte-rend geschakeld, dat wil zeggen 1,5 sec in, 2,5 sec uit. Zodra warmwater gevraagd wordt, zal de eindschakelaar van de driewegklep omgeschakeld worden, de functie van de kamerthermostaat wordt hiermee onderbroken, de pomp gaat draaien en de ventilator wordt omgeschakeld naar hoog toerental. Zodra de ventilator voldoende druk opgebouwd heeft zal de luchtdrukschakelaar omschakelen en zal de gasklep openen. Het toestel is nu in bedrijf voor warmwater-productie.
De uitgaande warmwaterleiding is voorzien van een zoge-naamde NTC-sensor, deze registreert de temperatuur van het uitgaande warmwater en geeft zijn signaal door aan de elektronische regelaar welke er op zijn beurt weer voor zorgt dat de uitgaande warmwatertemperatuur constant gehouden wordt op de ingestelde waarde door het signaal naar de elektronische gasklep te regelen. NB.
De anti-pendeltimer werkt alleen cv-zijdig. Indien geduren-de deze tijd warmwatervraag komt zal het toestel normaal in bedrijf komen. Na tapvraag is de cv-vraag gedurende 2 min. geblokkeerd. Reset is mogelijk door wegnemen van de 230V≈, (stekker uit wandcontactdoos nemen) of door losnemen van de aansluiting van de NTC of door kortsluiten van deze aansluiting.
Figuur 25. TapgrafiekFiguur 23. Positie doseerventiel + waterfilterkoperen pijp ∅ 15 waterfilterknelring kunststofO-ringknelwarteldoseerventiel 6 l/min. kniekoppeling 1/2" x 15driewegklephuisFiguur 24. Drukverlies door warmwaterbereider met en zonder doseerventieldebiet in l/min. weerstand in barmet doseerventiel 6 l/minzonder doseerventiel5. 1 WerkingDe AWB-ketel 23. 39 WT is voorzien van een tegenstroom platenwisselaar, de ketel zorgt zodoende tevens voor vol-doende warm sanitair water. De ketel is uitgerust met een hydraulisch gestuurde driewegklep. Tapdrempel 1,3l/min. Als er geen (althans minder dan 1,3 l/min. ) sanitair water wordt getapt, stuurt deze klep het ketelwater naar de radiatoren. Wordt er sanitair water getapt, dan opent de driewegklep en wordt het sanitair water verwarmd. De uitgaande sanitair waterleiding is voorzien van een NTC-sensor.
De regelkast houdt de temperatuur van het sanitair water constant. 5. 2 Aansluitingen De aansluitingen worden met los meegeleverde koppelingen aan het frame gemaakt. De aansluitingen zijn gemerkt. 5. 3 Doseerventiel en waterfilter Het doseerventiel (6 liter/min. ) is reeds ingebouwd in de aansluitknie van de koudwater aansluiting op de waterge-stuurde driewegklep. Vóór dit doseerventiel is eveneens een waterfilter ingebouwd (zie fig. 23). Het verdient aanbeveling dit filter eenmaal per jaar te reinigen. Afhankelijk van de plaatselijke voorschriften dient de koudwateraansluiting nog voorzien te worden van een inlaatcombinatie (stopkraan, terugslagklep en overstort max. 8 bar). 5. 4 Thermostatische mengkranen Thermostatische mengkranen kunnen worden toegepast, mits men er voor zorgt, dat de weerstanden in het koudwa-ter- en warmwatercircuit ongeveer gelijk zijn.
Indien snel slui-tende kranen worden gebruikt, dient er rekening te worden gehouden met het optreden van waterslag. Deze drukgolf kan worden opgevangen door een waterslag-demper op te nemen in de leidingen waar die drukgolf ontstaat.
Figuur 28. Zijaanzicht eindschakelaar driewegklep Aansluiting eindschakelaar C = groen NO = wit NC = rood Figuur 26. Grafiek opwarmtijd sanitairwaterTaptemperatuur °CWachttijd in secondenomgevingstemperatuur 20 °C ingaande temperatuur 10 °C capaciteit 6 l/min. afstand meetpunt vanaf toestel 5 m. pijp diameter ∅ 121. Het temperatuurverloop in het geval van warmwatergebruik kort na elkaar. 2. Het temperatuurverloop in de gemiddelde gebruikssituatie na langere stilstand. N. B. : De waakvlam is vrijwel altijd in staat positie 2 te handhaven. De installatie dient te voldoen aan NEN 1010 en de plaatselijk geldende voorschriften. Bedradingsschema Zie fig. 31 + 32, blz. 20 en 21 6. 1 Hoofdvoeding De elektrische voeding is 230 V; één fase. Het toestel is voorzien van een snoer met een randgeaarde stekker. De lengte van dit snoer buiten het toestel is 1 meter.
Dit snoer verlaat aan de onderzijde het toestel. 6. 2 Kamerthermostaat De kamerthermostaat (24 Volt, 2-draads) moet worden aan-gesloten op de 2-polige, oranjekleurige stekker, welke zich links-onder op de schakelkast (elektrische aansluitkast) be-vindt (zie fig. 31 + 32). Trek de stekker los van de schakel-kast, bevestig hieraan de kamerthermostaat draden en steek de stekker weer op zijn plaats. Indien de kamer-thermostaat (24 Volt, tweedraads) is voorzien van een anticipatie-element dient deze te worden ingesteld op 0,2 A. Bij twijfel kunt u deze stroom meten door met een universeel meter de (wissel)stroom parallel aan de kamerthermostaat te meten terwijl de kamerthermostaat niet vragend staat. 6.
3 Klokthermostaat en/of weersafhankelijke regeling Indien een klokthermostaat of weersafhankelijke regeling wordt toegepast, dient deze een tweedraads aansluiting te hebben met een eigen, externe voeding. Eventuele anticipa-tie weerstand moet worden ingesteld op 0,2 A. 6. 4 Circulatiepomp De circulatiepomp is 230V één fase en kan op drie snelheden worden ingesteld. Bij het toestel 23.
39 WT (met warmwater-bereiding) dient de pompsnelheid op de hoogste stand 3 te worden ingesteld. Het toestel is voorzien van een elektronische regeling welke de pomp uitschakelt op basis van de gemeten cv-aanvoer-temperatuur (nadraaien). Deze wordt gemeten d. m. v. de NTC-sensor op de aanvoerleiding. Indien er cv- of tapvraag is draait de pomp onafhankelijk van de gemeten temperatuur. 6. 5 Regelstop tijdens cv-vraag Tijdens een regelstop gedurende cv-vraag zal de pomp continu lopen. Een regelstop zal optreden als de cv-tempera-tuur meer dan 4 °C boven de ingestelde waarde stijgt. 6. 6 Regelstop tijdens warmwatervraag Tijdens een regelstop gedurende warmwatervraag zal de pomp continu draaien. Een regelstop zal optreden als de warmwatertemperatuur bovende 70 °C stijgt of als de cv-aanvoertemperatuur boven de 93 °C stijgt. 6.
7 Einde warmtevraagWanneer de cv-vraag wordt beëindigd draait de pomp na cv-vraag door indien de cv-aanvoertemperatuur hoger is dan 40 °C. Wanneer de warmwatervraag wordt beëindigd, draait de pomp na warmwatervraag door indien de cv-aan-voertemperatuur hoger is dan 90 °C. Zodra de aangegeven waarden zijn bereikt stopt de pomp. 6 MONTAGEVOORSCHRIFT VOOR DE ERKENDE ELEKTROTECHNISCHE INSTALLATEUR18Figuur 27. Pompgrafiek Grundfos UPS 25-50 - - - Beschikbaar voor installatie bij respectievelijke pompstand. m³/hmWk Weerstand in het toestelPompstand 3Pompstand 3Pompstand 3.
Figuur 29A. Demontage voorste schaaldeel ventilatordemonteer aangegeven schroeven, voorzijde losnemen inclusief elektrisch gedeelte en schoepenrad. Figuur 29B. Positie siliconenslangetjes luchtdrukschakelaarlet op de juiste positie van de siliconenslangetjes op de luchtdrukschakelaar. 196. 8 Beveiliging tegen niet sluiten van de gasklep Uit het bovenstaande blijkt dat de pomp door kan draaien na beëindiging van de warmtevraag. Wanneer dit het geval is, zal de pomp eerst gedurende 40 sec. na beëindiging doordraaien, waarna de pomp gedurende 20 sec. wordt gestopt. Na deze 20 sec. gaat de pomp weer draaien, de pomp stopt indien de cv-aanvoertemperatuur beneden de 40 °C respectievelijk 90 °C daalt. Het gedurende 20 sec. stoppen van de pomp wordt gebruikt als beveiliging tegen het eventueel niet sluiten van de gasklep.
Mocht deze situa-tie optreden, dan zal gedurende de stilstandstijd van de pomp de temperatuur in de warmtewisselaar boven de waarde van de maximaalthermostaat uitkomen als gevolg waarvan deze zal uitschakelen. Het thermokoppel circuit wordt nu verbroken en de hoofdgasklep gesloten. Hierdoor wordt de gastoevoer naar het toestel volledig afgesloten. 6. 9 Pompschakelaar Het toestel is voorzien van een elektronische pomp-schake-laar welke er voor zorgt dat de pomp van het toestel iedere 24 uur gedurende 2 min. ingeschakeld wordt. Het tijdstip van inschakelen wordt bepaald door het tijdstip waarop de 230 V≈ voedingsspanning ingeschakeld wordt. (stekker in het stopcontact). Op het moment dat de spanning inge-schakeld wordt zal de pomp gaan draaien, waarna iedere 24 uur op datzelfde tijdstip de pomp zal gaan draaien.
Indien gedurende deze voornoemde 24 uur de pomp reeds gedraaid heeft door warmtevraag tap of cv, zal de pomp in deze 24 uur niet meer gaan draaien. 6. 10 Vorstbeveiliging Naast de bovengenoemde acties wordt de elektronische temperatuurregeling ook gebruikt om het toestel te beveiligen tegen vorst.
Indien de temperatuur van het cv-water ter plaatse van de NTC-sensor beneden de 7 °C daalt zal de pomp gaan draaien. Door de restwarmte in de woning en het gegeven dat stromend water moeilijker bevriest dan stil-staand water, wordt hiermee onder normale omstandigheden voldoende beveiliging geboden tegen bevriezing van het toestel. In die gevallen waarbij het toestel en/of installatie aan extreem koude temperaturen kan worden blootgesteld, adviseren wij om een vorstthermostaat te plaatsen in de meest kritische ruimte en deze elektrisch parallel aan te slui-ten aan de kamerthermostaat. 6. 11 Pomp continu schakelaar Het is mogelijk om de pomp continu te laten draaien. Hiertoe moet dipswitch 1 in de ON positie gezet worden (zie figuur 20B4 en 20C1). 6. 12 Ventilator De ventilator wordt in ruststand intermitterend aangestuurd op 65 V≈. De ventilator schakelt 1,5 sec. in en 2,5 sec. uit.
207. 1 Installatie algemeenInstalleer eerst de cv-ketel volgens het installatievoorschriftvan de cv-ketel. Houdt voldoende ruimte over naast de ketel voor plaatsing van de boiler. Bepaal de boorgaten van de ophangbeugel aan de hand van de maatschets van de boiler (zie figuur 1) en bevestig de beugel met het bijgeleverde montagemateriaal. Houd, indien mogelijk de onderzijde van de boiler gelijk met de onderzijde van de ketel. 7. 2 Aansluiten cv (zie hiervoor figuur 6) Extra benodigd: - leiding ∅ 22 - verloopnippel 1/2“ x 3/4“ - 3x knie 3/4“ uitw. x 22 mm knel - 2x knie 22 mm x 22 mm knel1. Maak de ketel spanningsloos en tap het cv-water af. 2. Demonteer de Thermo-manometer en de dompel-buis uit de cv-ketel. 3. Monteer in de vrijgekomen aansluiting: - Verloopnippel 1/2˝ x 3/4˝ - T-stuk 3/4˝ x 3/4˝ x 1/2˝ - Knie 3/4˝ x 22 mm , denk aan de juiste richting van knie i. v. m.
linkse of rechtse opstelling van de boiler. - Dompelbuis - Thermo-manometer4. Demonteer de retourleiding van de pomp naar het frame; dit deel wordt niet meer gebruikt. Monteer in de driewegklep achtereenvolgens: - Knie 3/4˝ x 22 voor de cv-retourleiding van de boiler. Denk aan de juiste stand; voor linkse of rechtse opstelling. - Knie 3/4˝ x 22 voor de retourleiding naar de pomp. Deze recht naar boven richten. Monteer in deze knie het korte stukje pijp met aansluitflens naar de pomp (vergeet de pompwartel niet). - Retourleiding van driewegklep naar frame (is los meegeleverd). Deze leiding monteren in de reeds voorgemonteerde knie 3/4˝ x 22 mm. - Monteer nu dit geheel, driewegklep met alle aan- sluitingen onder de cv-ketel tussen pomp en frame. - Controleer of alle koppelingen goed zijn aangedraaid. 5.
- Verbind de aanvoer van de boiler (Ø 22 knel) met de aanvoer in het T-stuk van de ketel. - Verbind de retour van de boiler (Ø 22 knel) met de retour aansluiting in de driewegklep. NB. deze leidingen zijn niet meegeleverd.
- De aanvoer en retour cv-leidingen worden aangesloten op het aansluitframe van de cv-ketel. - Controleer of alle koppelingen goed zijn aangedraaid. 7. 3 Aansluiten sanitairDe sanitair aansluitingen dienen uitgevoerd te worden volgens de voorschriften van het plaatselijk water leveringsbedrijf. Het in de inlaat opgenomen ontlastventiel dient te openen voor dat een druk van 8 bar bereikt wordt (Figuur 7). Sluit de koudwaterleiding aan op de koudwaterinlaat van de boiler. Sluit de warmwaterleiding aan op de warmwater uitlaat van de boiler. Het kan aanbeveling verdienen een mengautomaat te plaat-sen om pieken in de warmwater temperatuur te vermijden. Plaats de mengautomaat zo dicht mogelijk bij de boiler enneem de koudwater inlaat zo dicht mogelijk na de inlaat-combinatie (zie figuur 7). Het plaatsen van een doseerventiel kan achterwege gelaten worden. 7.
Zet dipswitch 3 in de "OFF" positie (zie figuur 8) en plaats de kunststof dop weer terug. - Stel nu de boilerthermostaat (op het elektrische aan-sluitkastje van de boiler) in op 60 °C. - Het toestel is nu geschikt voor gebruik met warmwater-voorziening.
228 INBEDRIJFSTELLING• Open de toestel-gaskraan. • Gasleiding ontluchten via voordruk meetnippel (fig. uur 20A4). • Gasleidingen en ook het gasregelblok controleren op dichtheid. Dit mag alleen gebeuren met een druk van maximaal 150 mbar. • Stel de ketelthermostaat in op een lage temperatuur. De aansteekknop op het gasregelblok stevig indrukken en ingedrukt houden. Met de andere hand de piëzo ont-steker enkele malen indrukken. koud waterwarmwater afvoermengautomaat ABCboilerFiguur 32. Plaats mengautomaat plus inlaatcombinatieA. Stopkraan met proefkraantje ter controle van de terugslagklep. B. Terugslagklep om te voorkomen dat water uit de boiler in de aanvoerleiding terugstroomt. C. Veerbelast membraam overstortventiel, waarvan de maxi-mum instelling niet meer dan 8 bar mag bedragen.
Aan het overstortventiel moet een deugdelijke roestbestendige afvoerleiding met overlooptrechter gemonteerd worden. Er kan een eenvoudiger te monteren inlaat combinatie worden toegepast mits deze volgens hetzelfde principe-schema is opgebouwd. Controleer of alle koppelingen goed zijn aangedraaid. Spoel nu eerst de komplete installatie goed door met schoon water. Vuil in de installatie kan de goede werking van ketel en boiler sterk nadelig beïnvloeden. Vul nu de installatie, ketel en boi-ler op tot 1,5 bar (zie pagina 13) en controleer of er nergens lekkage optreedt. Schakel eerst het toestel in voordat u de waakvlam ontsteekt. Steek de stekker van de boiler en ketel in een wandkontaktdoos met randaarde. De boilerthermostaat zal nu de driewegklep bekrachtigen. Controleer of de driewegklep omloopt.
Aan het eind van de omloop-slag zal de microswitch in de driewegklep de ketel starten (zonder dat deze gaat branden) en de pomp laten lopen. Laat de pomp enige minuten draaien, zodat alle lucht uit het cv-gedeelte kan ontwijken. Ontsteek daarna de waakvlam. Het toestel gaat in bedrijf en zal de waterinhoud van de boiler op temperatuur brengen.
2410 STORINGSWIJZERGeadviseerd wordt om door de installateur minstens één maal per jaar de warmtewisselaar, de gasbrander en de ventilator te laten inspecteren en eventueel te laten reinigen. Tevens dient dan de goede werking van de veiligheids- en bedieningsapparatuur te worden gecontroleerd. Ga als volgt te werk: • Trek de stekker uit het stopcontact en sluit de toestelgas-kraan. • Verwijder de siermantel. • Deksel ventilatiekast d. m. v. 2 koffersluitingen bovenop verwijderen. • Verwijder anticondensplaat, boven op verbrandingskamer. • Voorplaat verbrandingskamer verwijderen en 4 buitenste schroeven losdraaien. • De warmtewisselaar kan nu geïnspecteerd worden. Indien deze vervuild is, de wisselaar met een nylon borstel en stofzuiger schoonmaken. • De openingen van de brander inspekteren op beschadi-gingen of vervuiling, altijd met een zachte borstel schoon-maken.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met AWB ThermoMasterVR 23.38W stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Verwarmingsketel AWB
Handleiding Verwarmingsketel
Nieuwste handleidingen voor Verwarmingsketel