Skoda Superb (2013) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Skoda Superb (2013) (283 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 54 mensen en kreeg gemiddeld 4.7 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Skoda Superb (2013) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Skoda |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Superb (2013) |
Handleiding Skoda Superb (2013) – volledige tekst
Opbouw van dit instructieboekje(toelichtingen)Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de benodig-de informatie te vergemakkelijken. Hoofdstukken, inhoudsopgave en trefwoordenlijstDe tekst in dit instructieboekje is in relatief korte paragrafen ingedeeld, die in over-zichtelijke hoofdstukken zijn samengevat. Het actuele hoofdstuk staat geaccentu-eerd vermeld aan onderzijde van de rechterpagina. De in hoofdstukken ingedeelde inhoudsopgave en de uitgebreide trefwoorden-lijst aan het einde van het instructieboekje helpen u de gewenste informatie snelte vinden. RichtingsinformatieAlle richtingsinformatie, zoals "links", "rechts", "voor", "achter", heeft betrekking opde rijrichting van de wagen. EenhedenDe waarden worden in metrische eenheden weergegeven.
Verklaring van symbolenVerwijst binnen een hoofdstuk naar een paragraaf met belangrijke infor-matie en veiligheidsaanwijzingen. Markeert het einde van een paragraaf. Geeft aan dat de paragraaf op de volgende pagina wordt voortgezet. Geeft situaties aan waarin de wagen zo snel mogelijk tot stilstand dientte worden gebracht. ® Geeft een geregistreerd handelsmerk aan. Geeft de op het MAXI DOT-display weergegeven teksten aan. Geeft de op het segmentdisplay weergegeven teksten aan. DisplayweergaveIn dit instructieboekje wordt voor de displayweergave de weergave op het MAXIDOT-display gebruikt, voor zover niet anders is aangegeven. AanwijzingenATTENTIEDe belangrijkste aanwijzingen zijn voorzien van de titel ATTENTIE. Deze AT-TENTIE-aanwijzingen wijzen u op ernstig gevaar voor ongevallen of verwon-dingen.
VOORZICHTIGEen Voorzichtig-aanwijzing wijst u op mogelijke schade aan uw wagen (bijvoor-beeld schade aan de versnellingsbak) of op algemene gevaren voor ongevallen. Milieu-aanwijzingEen Milieu-aanwijzing wijst u op het behoud van het milieu. Hier vindt u bijvoor-beeld adviezen voor een lager brandstofverbruik.
Documentatie van de aflevering van dewagen Afleveringsdatum/1e kentekenregisratiea) (VIN) Chassisnummer ŠKODA PartnerStempel en handtekening verkoper Ik bevestig dat ik de hier vermelde wagen in correcte staat in ontvangstheb genomen en vertrouwd ben gemaakt met het juiste gebruik ervan ende garantiebepalingen. Handtekening van de klant a) Afhankelijk van wat het eerst wordt bereikt. ŠKODA garantieverlenging Stempel van de ŠKODA Partner Beperking van de ŠKODA garantieverlenginga) Jaar: of Km: Geldig vanaf: a) Afhankelijk van wat het eerst wordt bereikt.
VoorwoordU heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen.U heeft een wagen met de modernste techniek en talrijke uitrustingen aangeschaft. Dit instructieboekjedaarom aandachtig doorlezen omdat dit een voorwaarde vormt voor een juiste bediening van de wagen.Bij eventuele vragen kunt u contact opnemen met een ŠKODA Partner.Wij wensen u veel plezier met uw ŠKODA en te allen tijde een goede reis.ŠKODA AUTO a.s. (hierna ŠKODA resp. fabrikant)
Gebruikte begrippenIn de wagendocumentatie worden de volgende begrippen gebruikt voor de servi-ce aan uw wagen.›"Erkend reparateur" - Werkplaats die vakkundig servicewerkzaamheden aanwagens van het merk ŠKODA uitvoert. Een erkend reparateur kan zowel eenŠKODA Partner, een ŠKODA Servicepartner als ook een onafhankelijke werk-plaats zijn.›"ŠKODA Servicepartner" - werkplaats, die contractueel door de fabrikant ŠKODAAUTO a.s. of de importeur is geautoriseerd servicewerkzaamheden aan wagensvan het merk ŠKODA uit te voeren en ŠKODA originele onderdelen te verkopen.›"ŠKODA Partner" - Onderneming die door de fabrikant ŠKODA AUTO a.s.
of deimporteur is geautoriseerd om nieuwe wagens van het merk ŠKODA te verko-pen en, indien van toepassing, servicewerkzaamheden hieraan uit te voerenmet gebruik van ŠKODA originele onderdelen en ŠKODA originele onderdelen teverkopen.InstructieboekjeDit instructieboekje geldt voor alle carrosserievarianten van de wagen en voor al-le bijbehorende modelvarianten.In dit instructieboekje worden altijd alle uitrustingsvarianten beschreven, zonderdat deze als meeruitvoering, modelvariant of marktafhankelijke uitrusting wordenaangegeven.Daarom hoeven in uw wagen niet alle uitrustingscomponenten die in dit instruc-tieboekje worden beschreven, aanwezig te zijn.De uitrustingsomvang van uw wagen heeft betrekking op het koopcontract vanuw wagen.
Raadgevingen voor het gebruikVerzorging van de wagen 196Service-intervallen 196Servicewerkzaamheden, aanpassingen entechnische wijzigingen 198Wagen wassen 201Exterieur verzorgen 203Interieur verzorgen 206Controleren en bijvullen 210Brandstof 210Motorruimte 212Motorolie 216Koelvloeistof 218Remvloeistof 220Accu 221Wielen 226Velgen en banden 226Winterse omstandigheden 232Tips om het zelf te doenNooduitrusting en tips om het zelf te doen 234Nooduitrusting 234Wiel verwisselen 236Bandenreparatie 239Starthulp 242Wagen afslepen 244Radiografische afstandsbediening 246Noodontgrendeling/-vergrendeling 247Noodbediening van het schuif-/kanteldak 249Ruitenwisserbladen vervangen 250Zekeringen en gloeilampjes 252Zekeringen 252Gloeilampjes 256Technische gegevensTechnische gegevens 261Wagengegevens 261Trefwoordenlijst4Inhoudsopgave
Onder doorroesten wordt binnen de ŠKODA garantieuitsluitend het doorroesten van carrosseriedelen van binnenuit verstaan. Het garantiebegin is het moment waarop de ŠKODA Partner de wagen aan deeerste eigenaar overhandigd of de datum van de 1e kentekenregistratie. Beslis-send is hierbij hetgeen het eerst plaatsvindt. Dit wordt door de ŠKODA Partner inhet Serviceplan gedocumenteerd. De reparatie van defecten kan plaatsvinden door vervanging of reparatie van hetdefecte onderdeel. Vervangen onderdelen worden eigendom van de ŠKODA Ser-vicepartner. Verdere aanspraken kunnen niet aan de ŠKODA garantie worden ontleend. In hetbijzonder kan geen aanspraak worden gemaakt op de levering van een vervan-gend product, op ontbinding van de koopovereenkomst, op een vervangende wa-gen gedurende de duur van de reparatie of op een schadevergoeding.
Indien uw ŠKODA bij een ŠKODA Partner in een land van de Europese Economi-sche Ruimte (dus de landen van de Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liech-tenstein) of Zwitserland is gekocht, kan in elk van deze landen bij een ŠKODA Ser-vicepartner aanspraak worden gemaakt op de ŠKODA garantie. Indien uw ŠKODA bij een ŠKODA Partner in een land buiten de Europese Economi-sche Ruimte en Zwitserland is gekocht, kan ook bij een ŠKODA Servicepartnerbuiten de Europese Economische Ruimte en Zwitserland aanspraak worden ge-maakt op de ŠKODA garantie. Het tijdig en vakkundig uitvoeren van alle voorgeschreven servicewerkzaamhe-den vormt een voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de ŠKODA garan-tie.
In geval van aanspraken op de ŠKODA garantie dient te kunnen worden aan-getoond dat alle voorgeschreven servicewerkzaamheden tijdig en vakkundig vol-gens de voorschriften van de fabrikant zijn uitgevoerd. In geval van niet of nietconform de voorschriften van de fabrikant uitgevoerde servicewerkzaamhedenblijven evenwel garantie-aanspraken bestaan indien u kunt aantonen dat het de-fect niet is ontstaan door het niet of niet conform de voorschriften van de fabri-kant uitvoeren van de servicewerkzaamheden. Natuurlijke slijtage van uw wagen valt niet onder de ŠKODA garantie. Onder deŠKODA garantie vallen ook geen defecten aan naderhand gemonteerde onderde-len evenals defecten aan de wagen die hierdoor zijn veroorzaakt. Hetzelfde geldtvoor accessoires die niet af fabriek zijn ingebouwd en/of zijn geleverd.
Eveneens bestaan geen garantie-aanspraken indien het defect door een van devolgende oorzaken is ontstaan:›Ongeoorloofd gebruik, ondeskundige behandeling (bijvoorbeeld bij autosporte-venementen of overbelading), ondeskundige verzorging of ongeoorloofde ver-anderingen aan de wagen. ›Het niet opvolgen van de voorschriften in het Serviceplan en het instructie-boekje resp. in andere af fabriek geleverde handleidingen.
›Invloeden van buitenaf (bijvoorbeeld een ongeval, hagel, overstroming enz. ). ›Aan de wagen zijn onderdelen gemonteerd waarvan het gebruik door ŠKODAAUTO a. s. niet is vrijgegeven of waardoor de wagen op een door ŠKODA AUTOa. s. niet toegestane wijze is veranderd (bijvoorbeeld tuning). ›Een niet tijdig bij een erkend reparateur gemeld defect of een defect dat nietvakkundig is verholpen. De bewijsvoering van het ontbrekende oorzakelijk verband ligt bij de klant. Door de ŠKODA garantie worden de wettelijke rechten van de koper aangaandede aansprakelijkheid van de verkoper voor gebreken en mogelijke aanspraken uitde productaansprakelijkheidswetgeving niet beperkt. 5Productaansprakelijkheid en ŠKODA garantie voor nieuwe wagens.
Indien voor uw wa-gen geen mobiliteitsgarantie geldt, informeert u dan bij een ŠKODA Servicepart-ner naar de mogelijkheden.Let opDeze mobiliteitsgarantie geldt alleen voor sommige landen.Optionele ŠKODA-garantieverlengingIndien u bij aanschaf van de nieuwe wagen een ŠKODA-garantieverlenging heeftaangeschaft, wordt hiermee de 2-jarige ŠKODA garantie op defecten van uwŠKODA verlengd tot de door u gekozen duur resp. tot het bereiken van het geko-zen kilometrage.De beschreven lakgarantie en de garantie tegen doorroesten blijven door de ga-rantieverlenging ongewijzigd.De gedetailleerde voorwaarden staan vermeld in de voorwaarden voor de garan-tieverlenging die uw ŠKODA Partner u bij aanschaf van uw wagen heeft overhan-digd.Let opDe mobiliteitsgarantie en de optionele ŠKODA-garantieverlenging gelden alleenvoor sommige landen. 6Mobiliteitsgarantie en ŠKODA garantieverlenging
Gebruikte afkortingenAfkorting Betekenis1/min Omwentelingen per minuut van de motorABS AntiblokkeersysteemMPV Multipurpose vehiclesAFS Adaptieve koplampenAG Automatische versnellingsbakAPN Access Point Name - Naam van een toegangspunt voor deWLAN-verbindingASR TractiecontroleCO2 in g/km Uitgestoten hoeveelheid koolstofdioxide in gram per geredenkilometerDPF RoetfilterDSG Automatische versnellingsbak met 2-voudige koppelingDSR Actieve stuurondersteuningEDS Elektronisch sperdifferentieelECE Europese Economische CommissieEPC Controle van de motorelektronicaESC StabiliteitscontroleEU Europese UnieFSI Gelaagde directe benzine-inspuiting (Fuel Stratified Injection)GSM Groupe Spécial Mobile - Een digitaal netwerk van mobiele tele-foons voor de overdracht van gesprekken en dataHFP Hands-free profile - Verbinding van een mobiel apparaat viahet Bluetooth®-profielkW Kilowatt, eenheid voor het motorvermogenMG SchakelbakMFD Multifunctie-indicatieN1 een uitsluitend of voornamelijk voor het transport van goede-ren ontworpen bestelwagenNm Newtonmeter, eenheid voor het motorkoppelAfkorting BetekenisPIN Personal Identification Number - Persoonlijk identificatienum-mer voor de verbinding van elektronische apparaten via Blue-tooth® of WLANrSAP remote SIM Access Profile - Overdracht van simgegevensSSP simple security pairing - Verbinding van twee apparaten viahet Bluetooth®-profielTDI CR Dieselmotor met uitlaatgasturbo en common rail inspuitsys-teemTDI PD Dieselmotor met uitlaatgasturbo en pomp-verstuiver inspuit-systeemTSI Benzinemotor met uitlaatgasturbo en directe inspuitingUMTS Universal Mobile Telecommunication System – De volgendeontwikkelingsfase van het GSM-netwerk (3G)WLAN Wireless Local Area Network - Draadloze verbinding van elek-tronische apparaten voor data-overdracht (WiFi) 7Gebruikte afkortingen
BedieningBestuurdersruimteOverzichtElektrische ruitbediening 46Slotgreep 38Toets voor de centrale vergrendeling 37Luchtrooster 103ParkeertickethouderBedieningshendel:›Knipperlichten, grootlicht en parkeerlicht, grootlichtsignaal 55›Snelheidsregelsysteem 161Stuurwiel:›Met claxon›Met bestuurdersvoorairbag 185›Met bedieningstoetsen voor radio, navigatiesysteem, telefoonen informatiesysteem 115, 130Instrumentenpaneel: Instrumenten, controleIampjes en display 10Bedieningshendel:›Informatiesysteem 23›Ruitenwisser- en sproeierinstallatie 63Luchtroosters in het middelste deel van het dashboard 103Regelaar voor linkerstoelverwarming 74Toets voor alarmlichten 58Regelaar voor rechterstoelverwarming 74Afhankelijk van de uitrusting:›Radio›NavigatiesysteemOpbergvak aan bijrijderszijde 83Bijrijdersvoorairbag 185Luchtrooster 103Sleutelschakelaar voor het buiten werking stellen van de bijrij-dersvoorairbag (in het opbergvak aan bijrijderszijde) 189Slotgreep 3812345678910111213141516171819Elektrische buitenspiegelverstelling 67Lichtschakelaar 53Ontgrendelingshendel van motorkap 214Regelaar voor de dashboardverlichting en regelaar voor de licht-bundelhoogteverstelling 54, 54Opbergvak aan bestuurderszijde 78Hendel voor stuurwielverstelling 134Bestuurdersknie-airbag 186Contactslot 136Pedalen 143Handrem 142Rij toetsen afhankelijk van de uitrusting:› Start-stopsysteem 163› Bandenspanningscontrole 21› Aandrijfslipregeling ASR 155› Stabiliseringscontrole ESC 154› Inparkeersysteem 157› Parkeerhulp 156› Achterklepbediening (Superb Combi) 44Afhankelijk van de uitrusting:›Versnellingshendel (schakelbak) 142›Keuzehendel (automatische versnellingsbak) 143Afhankelijk van de uitrusting:›Asbak 81›Opbergvak 79Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag 189Afhankelijk van de uitrusting:›Bediening voor airconditioning 104›Bediening voor Climatronic 107Let opBij wagens met rechts stuur zijn de bedieningselementen gedeeltelijk anders ge-rangschikt dan weergegeven op » Afbeelding 1.
Instrumenten en controlelampjesInstrumentenpaneelInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Overzicht 10Toerenteller 11Snelheidsmeter 11Koelvloeistoftemperatuurmeter 11Display 12Brandstofmeter 12Kilometerteller 12Digitale klok 13Weergave van de tweede snelheid 13Display in de middenconsole achterin 13Auto-Check-Control 13StoringsindicatieAls een storing in het instrumentenpaneel aanwezig is, wordt op het display demelding Error weergegeven. De storing zo snel mogelijk door een erkend repara-teur laten verhelpen.ATTENTIE■Houd uw aandacht altijd bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledi-ge verantwoordelijkheid voor een veilig verkeersgedrag.■Alleen bij stilstaande wagen de bedieningselementen in het instrumenten-paneel bedienen en nooit tijdens het rijden!
OverzichtAfbeelding 2 InstrumentenpaneelLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op.Toerenteller met controlelampjes » pagina 11Snelheidsmeter met controlelampjes » pagina 11Toets voor weergavemodus:›Instellen van uren/minuten » pagina 13›Activeren/deactiveren van de weergave van de tweede snelheid1) » pagina13›Service-intervallen - Weergave van de resterende dagen en het aantal ki-lometers tot de eerstvolgende servicetermijn1) » pagina 30Koelvloeistoftemperatuurmeter » pagina 11Display » pagina 12:›Met teller voor afgelegde afstand » pagina 12›Met service-intervalindicatie » pagina 30›Met digitale klok » pagina 13›Met multifunctie-indicatie (MFA) » pagina 26›Met infotainmentsysteem » pagina 23 123451) Geldt voor wagens met het segmentdisplay.10 Bediening
Brandstofmeter » pagina 12Knop voor:›Dagteller voor de afgelegde rijafstand terugzetten » pagina 12›Uren/minuten instellen›De met toets 3 gekozen modus activeren/deactiveren ToerentellerLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. Het rode bereik van de schaal van de toerenteller 1 » Afbeelding 2 op pagina 10geeft het bereik aan waarin het systeem begint het motortoerental te begrenzen. Het systeem begrenst het motortoerental automatisch op een veilige grenswaar-de. Vóór het bereiken van het rode bereik van de toerentellerschaal naar de eerstvol-gende versnelling opschakelen resp. keuzehendelstand D kiezen van de automa-tische versnellingsbak. Om een te hoog resp. te laag toerental te vermijden, op het schakeladvies let-ten » pagina 25. Milieu-aanwijzingTijdig opschakelen heeft de volgende voordelen.
■Het helpt bij het verlagen van het brandstofverbruik. ■Het vermindert de bedrijfsgeluiden. ■Het bespaart het milieu. ■Het komt de levensduur en betrouwbaarheid van de motor ten goede. SnelheidsmeterLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. SnelheidswaarschuwingBij het overschrijden van een snelheid van 120 km/h klinkt er een signaaltoon1). Als weer langzamer dan 120 km/h wordt gereden, verdwijnt de signaaltoon. 67KoelvloeistoftemperatuurmeterAfbeelding 3KoelvloeistoftemperatuurmeterLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. De koelvloeistoftemperatuurmeter » Afbeelding 3 werkt alleen bij ingeschakeldcontact. Koud bereikAls de naald zich nog in het linkergedeelte van de schaal bevindt, heeft de motorzijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt.
Bereik bedrijfswarme motorDe motor heeft zijn bedrijfstemperatuur bereikt als de naald in het middelste ge-deelte van de schaal staat. Bij zware motorbelasting of hoge buitentemperaturenkan de naald ook verder naar rechts lopen. Bereik te hoge temperatuurAls de naald het rode gedeelte van de schaal bereikt, is de koelvloeistoftempera-tuur te hoog. Meer informatie » pagina 16. VOORZICHTIGVerstralers en andere aanbouwdelen voor de luchttoevoer verslechteren de koel-werking van de koelvloeistof. 1) Deze functie is alleen geldig voor sommige landen. 11Instrumenten en controlelampjes.
DisplayAfbeelding 4DisplaytypesLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op.Het instrumentenpaneel kan over een van de volgende displaytypes beschik-ken » Afbeelding 4.Segmentdisplay, in de tekst met het symbool aangegevenMAXI DOT-display, in de tekst met het symbool aangegevenVOORZICHTIGOm eventuele beschadigingen te voorkomen, bij contact met het display (bijvoor-beeld reinigen) de contactsleutel verwijderen. Bij wagens met het KESSY-systeemhet contact uitschakelen en het bestuurdersportier openen. BrandstofmeterAfbeelding 5BrandstofmeterLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op.De brandstofmeter » Afbeelding 5 werkt alleen bij ingeschakeld contact.De tankinhoud bedraagt circa 60 liter.
Wanneer de naald de reservemarkering be-reikt (rode bereik van de schaal), gaat het controlelampje » pagina 20 in hetinstrumentenpaneel branden.VOORZICHTIGDe brandstoftank nooit helemaal leegrijden! Door de onregelmatige brandstof-toevoer kan de verbranding overslaan. Dit kan leiden tot zware schade aan moto-ronderdelen en het uitlaatsysteem.Let opNa het voltanken kan het voorkomen dat bij een dynamische rit (bijvoorbeeld veelbochten, remmen, bergafwaarts en bergopwaarts rijden) de brandstofmeter ietsminder aangeeft. Als wordt gestopt of bij een minder dynamische rit geeft debrandstofmeter weer de juiste brandstofhoeveelheid weer. Dit duidt niet op eendefect.
Dagteller voor de afgelegde rijafstand terugzetten›Langer op toets 7 » Afbeelding 2 op pagina 10 drukken. KilometertotaaltellerDe kilometertotaalteller B » Afbeelding 6 geeft de afstand weer die de wagen intotaal heeft afgelegd. Let opIndien bij wagens met segmentdisplay de weergave van de tweede snelheid isgeactiveerd, dan wordt deze snelheid weergegeven in plaats van de kilometerto-taalteller. Digitale klokLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. De klok kan worden ingesteld met de toetsen 3 en 7 » Afbeelding 2 op pagina10. Met de toets 3 de te wijzigen weergave selecteren en met de toets 7 de wijzi-ging uitvoeren. Bij wagens met MAXI DOT-display kan de klok ook in het menupunt Tijd wordeningesteld » pagina 29.
Weergave van de tweede snelheidLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. Op het display kan de actuele snelheid in mph1) worden weergegeven. Deze functie is alleen bedoeld voor het rijden in landen met andere snelheidseen-heden. MAXI DOT-displayDe weergave van de tweede snelheid wordt in het menupunt Instellingen inge-steld » pagina 29, Instellingen. Segmentdisplay›Herhaaldelijk op toets 3 » Afbeelding 2 op pagina 10 drukken, tot de weergavevan de kilometertotaalteller knippert » pagina 12. ›Zolang de weergave knippert, de toets 7 indrukken. De tweede snelheid wordt weergegeven in plaats van de kilometertotaalteller. De weergave van de tweede snelheid kan op dezelfde wijze worden gedeacti-veerd.
Display in de middenconsole achterinAfbeelding 7Middenconsole achterin: DisplayLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. Op het display in de middenconsole achterin worden bij ingeschakeld contact detijd en de buitentemperatuur weergegeven » Afbeelding 7. De waarden worden overgenomen van het instrumentenpaneel.
Auto-Check-ControlLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 10 en volg deze op. WagentoestandBij ingeschakeld contact en tijdens het rijden worden in de wagen continu dewerking en toestanden van de afzonderlijke wagensystemen gecontroleerd. 1) Bij types met een snelheidsweergave in mph wordt de tweede snelheid in km/h weergegeven. 13Instrumenten en controlelampjes.
Enkele storingsmeldingen en andere aanwijzingen worden op het MAXI DOT-dis-play weergegeven. De meldingen worden tegelijkertijd met de symbolen op hetMAXI DOT-display resp. met de controlelampjes in het instrumentenpaneel weer-gegeven » pagina 14. Het menupunt Wagenstatus wordt in het hoofdmenu van het MAXI DOT-displayweergegeven indien minimaal één storingsmelding aanwezig is. Na het selecte-ren van dit menupunt wordt de eerste storingsmelding aangegeven. Als meerde-re storingsmeldingen aanwezig zijn, verschijnt op het display onder de meldingbijvoorbeeld 1/3. Dat betekent dat de eerste van in totaal drie meldingen wordtaangegeven.
Waarschuwingssymbolen op het MAXI DOT-displayMotoroliedruk te laag » pagina 16Koppelingen van de automatische versnel-lingsbak te heet » pagina 14Motoroliepeil controleren,Motoroliesensor defect » pagina 18Remblokdikte » pagina 21Probleem met de motoroliedruk » pagina 14 Probleem met de motoroliedrukAls op het MAXI DOT-display het symbool verschijnt, dient de wagen zo snelmogelijk door een erkend reparateur te worden gecontroleerd. Samen met ditsymbool wordt informatie over het maximaal toelaatbare motortoerental weerge-geven. Koppelingen van de automatische versnellingsbak te heetAls op het MAXI DOT-display het symbool verschijnt, is de temperatuur van dekoppelingen van de automatische versnellingsbak te hoog. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Versnellingsbak oververhit: Stop. Instructieboekje. niet verder rijden.
De motor afzetten en wachten tot het symbool dooft -gevaar voor schade aan de versnellingsbak. Na het verdwijnen van het symboolkan de rit worden voortgezet. ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58.
Let op■Als op het MAXI DOT-display waarschuwingsmeldingen worden weergegeven,moeten deze meldingen worden bevestigd om het hoofdmenu op te roepen » pa-gina 23. ■Zolang de functiestoringen niet zijn verholpen, worden de symbolen telkensweer aangegeven. Na de eerste weergave worden de symbolen zonder aanwij-zingen voor de bestuurder aangegeven. ControlelampjesInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen: Handrem 15 Remsysteem 15 Gordelwaarschuwingslampje 15 Dynamo 16Portier open 16 Motoroliedruk 16 Koelvloeistof 16Motorkap 17Achterklep 17 Stuurbekrachtiging/vergrendeling stuurinrichting (KESSY-systeem) 17 Motoroliepeil 18Aandrijfslipregeling (ASR) 18Stabiliseringscontrole (ESC) 18Antiblokkeersysteem (ABS) 19 Mistachterlicht 19 Defecte lamp 19 Adaptieve koplampen 19 Uitlaatgascontrolesysteem 1914 Bediening.
Voorgloeisysteem (dieselmotor) 19 Controle van de motorelektronica (benzinemotor) 20 Roetfilter (dieselmotor) 20 Brandstofreserve 20 Airbagsysteem 21 Bandenspanning 21 Ruitensproeiervloeistofpeil 21Remblokken 21 Knipperlichten 22 Dimlicht 22 Mistlampen 22 Snelheidsregelsysteem 22 Keuzehendelvergrendeling/starten (KESSY-systeem) 22 Grootlicht 22De controlelampjes geven bepaalde functies resp. storingen aan en kunnen doorakoestische signalen worden vergezeld. ATTENTIE■Als brandende controlelampjes en de bijbehorende meldingen en waarschu-wingsaanwijzingen worden genegeerd, kan dit leiden tot ernstig lichamelijkletsel of ernstige schade aan de wagen. ■De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. Bij werkzaamhe-den in de motorruimte, bijvoorbeeld het controleren en bijvullen van bedrijfs-vloeistoffen, kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan.
Be-slist op de waarschuwingsaanwijzingen letten » pagina 212, Motorruimte. HandremLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt bij aangetrokken handrem. Bovendien wordt eenakoestische waarschuwing gegeven, als u met de wagen minstens 3 secondenmet een snelheid van meer dan 6 km/h hebt gereden. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Parkeerrem loszetten. RemsysteemLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt bij een laag remvloeistofpeil in het remsysteem ofeen storing van het ABS. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Remvloeistof: Instructieboekje. Stoppen, de motor afzetten en het remvloeistofpeil controleren » pagina220 ».
ATTENTIE■Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58.
■Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloei-stofpeil op de aanwijzingen » pagina 212, Motorruimte. ■Als het controlelampje samen met het controlelampje » pagina 19,Antiblokkeersysteem (ABS) brandt, de rit niet voortzetten. De hulp vaneen erkend reparateur inroepen. ■Een storing aan het remsysteem resp. aan het ABS kan leiden tot een lange-re remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen. GordelwaarschuwingslampjeLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact, als herin-nering dat de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel moet omgespen. Hetcontrolelampje dooft pas als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordelheeft omgegespt. Als de bestuurder resp.
bijrijder de veiligheidsgordel niet heeft omgegespt, klinktbij wagensnelheden boven 20 km/h een continue waarschuwingstoon en knip-pert tegelijkertijd het controlelampje . 15Instrumenten en controlelampjes.
Als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel vervolgens niet binnen90 seconden omgespt, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld en brandthet controlelampje continu. DynamoLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje bij draaiende motor brandt, wordt de accu niet geladen. De hulp van een erkend reparateur inroepen. De elektrische installatie dient teworden gecontroleerd. ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58, Alarmlichten. VOORZICHTIGIndien tijdens de rit naast het controlelampje nog het controlelampje (koel-systeemstoring) gaat branden, niet verderrijden. De motor afzetten - gevaarvoor schade aan de motor.
Portier openLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt als een of meer portieren geopend zijn. ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58. MotoroliedrukLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Bij een knipperend controlelampje is de motoroliedruk te laag. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Oliedruk: motor uit. Instructieboekje. Stoppen, de motor afzetten en het motoroliepeil controleren » pagina 217. Als het controlelampje knippert, niet verder rijden, ook als het oliepeil in ordeis. De motor ook niet stationair laten draaien. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58.
KoelvloeistofLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje brandt resp. knippert, is de koelvloeistoftemperatuur tehoog of is het koelvloeistofpeil te laag. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Koelvloeistof controleren. Instructieboekje. Stoppen, de motor afzetten en het koelvloeistofpeil controleren » pagina 219, zonodig koelvloeistof bijvullen» pagina 220. Als het koelvloeistofpeil binnen het voorgeschreven bereik ligt, kan een te hogetemperatuur worden veroorzaakt door een storing van de koelluchtventilator. Dezekering voor de koelluchtventilator controleren en deze zo nodig vervan-gen » pagina 254, Zekeringen in de motorruimte. Als het controlelampje brandt, hoewel het koelvloeistofpeil en ook de ventila-torzekering in orde zijn, de rit niet voortzetten. 16 Bediening.
De hulp van een erkend reparateur inroepen. ATTENTIE■Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58. ■Voorzichtig het koelvloeistofexpansiereservoir openen. Bij een warme mo-tor staat het koelsysteem onder druk - gevaar voor verbranding. Laat daaromvoor het losdraaien van de vuldop de motor afkoelen. ■De koelluchtventilator niet aanraken. De koelluchtventilator kan ook bij uit-geschakeld contact vanzelf worden ingeschakeld. MotorkapLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt als de motorkap ontgrendeld is. ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58.
AchterklepLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt als de achterklep geopend is. ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58. Stuurbekrachtiging/vergrendeling stuurinrichting(KESSY-systeem)Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. StuurbekrachtigingAls het controlelampje brandt, is de stuurbekrachtiging gedeeltelijk uitgevallenen kan voor het sturen meer kracht nodig zijn. De hulp van een erkend reparateurinroepen. Als het controlelampje brandt, is de stuurbekrachtiging volledig uitgevallen enis voor het sturen aanmerkelijk meer kracht nodig. De hulp van een erkend repa-rateur inroepen.
Vergrendeling stuurinrichting (KESSY-systeem)›Zolang het controlelampje knippert, kan de stuurinrichting niet worden ont-grendeld. Meer informatie » pagina 39, KESSY.
›Als het controlelampje knippert, een geluidssignaal klinkt en op het MAXIDOT-display de melding Stuurvergrendeling: werkplaats. ) verschijnt, dan is devergrendeling van de stuurinrichting defect. De hulp van een erkend reparateurinroepen. ›Als het controlelampje knippert, een geluidssignaal klinkt en op het MAXIDOT-display de melding Stuurvergrendeling defect. verschijnt, dan is de ver-grendeling van de stuurinrichting defect. Stoppen en de motor afzetten, derit niet voortzetten. Na het uitschakelen van het contact zal het niet meer mo-gelijk zijn de stuurinrichting te vergrendelen, de elektrische verbruikers te acti-veren (bijvoorbeeld autoradio, navigatiesysteem), het contact weer in te scha-kelen en de motor te starten. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58. Let opAls de accukabels zijn losgemaakt en weer aangesloten, gaat na het inschakelenvan het contact het gele controlelampje branden. Na even te hebben gereden,moet het controlelampje doven. Als het gele controlelampje na het opnieuwstarten van de motor en een korte rit niet dooft, moet een erkend reparateurworden opgezocht. 17Instrumenten en controlelampjes.
MotoroliepeilLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt (oliepeil te laag)Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Oliepeil controleren. Stoppen, de motor afzetten en het motoroliepeil controleren » pagina 217. Als de motorkap langer dan 30 seconden geopend blijft, dooft het controlelampje. Als er geen motorolie wordt bijgevuld, gaat het controlelampje na circa 100 kmweer branden. Het controlelampje knippert (motoroliepeilsensor defect)Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Oliesensor: Werkplaats. Bij een defecte motoroliepeilsensor knippert het controlelampje meerdere ma-len na het inschakelen van het contact en klinkt een akoestisch signaal. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
ATTENTIEAls om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58. Aandrijfslipregeling (ASR)Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje knippert, doet de ASR momenteel een ingreep. Als het controlelampje direct na het starten van de motor gaat branden, kan deASR om technische redenen uitgeschakeld zijn. Het contact uit- en weer inscha-kelen. Als het controlelampje na het opnieuw starten van de motor niet meerbrandt, functioneert de ASR weer volledig. Als het controlelampje brandt, is er een storing in de ASR aanwezig. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Storing: aandrijfslipregeling (ASR)De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Meer informatie » pagina 155, Aandrijfslipregeling (ASR). Let opAls de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inscha-kelen van het contact het controlelampje branden. Na even te hebben gere-den, moet het controlelampje doven.
Stabiliseringscontrole (ESC)Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje knippert, doet de ESC momenteel een ingreep. Als het controlelampje direct na het starten van de motor gaat branden, kan deESC om technische redenen uitgeschakeld zijn. Het contact uit- en weer inscha-kelen. Als het controlelampje na het opnieuw starten van de motor niet meerbrandt, functioneert de ESC weer volledig. Als het controlelampje brandt, is er een storing in het ESC-systeem aanwezig. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Storing: stabiliseringscontrole (ESC)De hulp van een erkend reparateur inroepen. Meer informatie » pagina 154, Stabiliseringscontrole (ESC). Let opAls de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inscha-kelen van het contact het controlelampje branden.
Antiblokkeersysteem (ABS)Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje brandt, is er een storing in het ABS aanwezig. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Storing: ABSVoor het afremmen van de wagen wordt alleen nog het gewone remsysteemzonder het ABS gebruikt. De hulp van een erkend reparateur inroepen. ATTENTIE■Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan opeen veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlich-ten in » pagina 58. ■Als het controlelampje » pagina 15 samen met het controlelampje brandt, de rit niet voortzetten. De hulp van een erkend reparateur inroe-pen. ■Een storing aan het remsysteem resp. aan het ABS kan leiden tot een lange-re remweg bij het remmen - gevaar voor ongevallen.
MistachterlichtLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt bij ingeschakeld mistachterlicht » pagina 57. Defecte lampLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het controlelampje brandt bij een defecte gloeilamp:›binnen enkele seconden na het inschakelen van het contact,›als een verlichting met een defecte gloeilamp wordt ingeschakeld. Op het MAXI DOT-display wordt bijvoorbeeld de volgende melding weergegeven. INFORMATIE Dimlicht rechtsvoor controleren. Adaptieve koplampenLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje gedurende de rit of na het inschakelen van het contact 1minuut knippert, is er sprake van een storing in de adaptieve koplampen » pagina56.
UitlaatgascontrolesysteemLees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje brandt, is er een storing in het uitlaatgascontrolesys-teem aanwezig. Er kan in de noodloopmodus worden gereden. De hulp van een erkend reparateur inroepen. Voorgloeisysteem (dieselmotor)Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Na het inschakelen van het contact gaat het controlelampje branden. Direct nahet doven van het controlelampje voorgloeitijd moet de motor worden gestart. Als het controlelampje niet of continu brandt, is er een storing in het voor-gloeisysteem aanwezig. Begint het controlelampje tijdens het rijden te knipperen, is er een storing inde motorregeling aanwezig. Er kan in de noodloopmodus worden gereden. De hulp van een erkend reparateur inroepen.
Controle van de motorelektronica (benzinemotor)Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Als het controlelampje brandt, is er een storing in de motorregeling aanwezig. Er kan in de noodloopmodus worden gereden. De hulp van een erkend reparateur inroepen. Roetfilter (dieselmotor)Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 14 en volg deze op. Het roetfilter filtert de roetdeeltjes uit het uitlaatgas. De roetdeeltjes worden inhet roetfilter verzameld en worden daar regelmatig verbrand. Als het controlelampje brandt, is het roetfilter met roet verstopt.
Om het roetfilter te reinigen, moet, als de verkeerssituatie dit toelaat » , gedu-rende minstens 15 minuten of tot het doven van het controlelampje in de 4e of 5eversnelling (automatische versnellingsbak: in keuzehendelstand S) met een snel-heid van minstens 60 km/h bij een motortoerental tussen 1. 800 - 2. 500 1/minworden gereden. Het controlelampje dooft pas na een succesvolle reiniging van het roetfilter. Als het filter niet succesvol is gereinigd, dooft het controlelampje niet en be-gint het controlelampje te knipperen. Op het MAXI DOT-display wordt de volgende melding weergegeven. Dieselroetfilter: Instructieboekje. Er kan in de noodloopmodus worden gereden. Na het uitschakelen en weer in-schakelen van het contact brandt het controlelampje . De hulp van een erkend reparateur inroepen. ATTENTIE■Het roetfilter bereikt zeer hoge temperaturen.
Daarom niet parkeren opplaatsen waar het zeer hete filter rechtstreeks met droog gras of anderbrandbaar materiaal in contact kan komen - brandgevaar. ■De snelheid altijd aan het weer, het wegdek en de terrein- en verkeersom-standigheden aanpassen. Het door het controlelampje gegeven rij-advies magu er nooit toe verleiden de wettelijke bepalingen in het verkeer te negeren.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Skoda Superb (2013) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Skoda
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto