Skoda Rapid Spaceback (2016) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Skoda Rapid Spaceback (2016) (212 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 58 mensen en kreeg gemiddeld 4.9 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Skoda Rapid Spaceback (2016) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag
Product specificaties
| Merk: | Skoda |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Rapid Spaceback (2016) |
Handleiding Skoda Rapid Spaceback (2016) – volledige tekst
VeiligheidPassieve veiligheidAlgemene aanwijzingenInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Vóór elke rit 8Rijveiligheid 8In deze paragraaf vindt u belangrijke informatie, tips en aanwijzingen met be-trekking tot het thema passieve veiligheid. We hebben hier alles samengevat wat u bijvoorbeeld over veiligheidsgordels,airbags, de veiligheid van kinderen enz. moet weten. Meer informatie met betrekking tot de veiligheid die uw en uw passagiers aan-gaan, vindt u in de volgende hoofdstukken in dit instructieboekje. De complete documentatie moet daarom altijd in de wagen aanwezig zijn. Ditis vooral belangrijk als u de wagen verhuurt of verkoopt. Vóór elke ritVoor uw eigen veiligheid en voor de veiligheid van uw passagiers moet voorelke rit op de onderstaande punten worden gelet.
▶Controleren of de verlichting en de knipperlichten correct functioneren. ▶Ervoor zorgen dat de ruitenwissers goed werken en de toestand van de rui-tenwisserbladen goed is. ▶Ervoor zorgen dat alle ruiten een helder en goed zicht naar buiten bieden. ▶De spiegels zo instellen dat het zicht naar achteren is gewaarborgd. ▶Ervoor zorgen dat de spiegels niet afgedekt zijn. ▶De bandenspanning controleren. ▶Motorolie-, remvloeistof- en koelvloeistofpeil controleren. ▶Aanwezige bagage goed bevestigen. ▶De toegestane asbelastingen en het maximaal toegestaan gewicht van dewagen niet overschrijden. ▶Alle portieren, de motorkap en de achterklep sluiten. ▶Controleren of er geen voorwerpen zijn die de bediening van de pedalen kun-nen beïnvloeden. ▶Kinderen beschermen met een geschikt kinderzitje en een op een juiste wij-ze omgegespte veiligheidsgordel ,.
RijveiligheidAls draagt u de verantwoordelijkheid voor uzelf alsmede voor debestuurderpassagiers en in het bijzonder voor de meegevoerde kinderen. Als uw rijveilig-heid wordt beïnvloed, brengt u niet alleen uzelf, maar ook andere verkeers-deelnemers in gevaar. Daarom op de volgende aanwijzingen letten. ▶Laat u niet van het verkeer afleiden (door bijvoorbeeld passagiers, telefoon-gesprekken enz. ). ▶Niet rijden als uw rijvaardigheid is verminderd (bijvoorbeeld door medicijnen,alcohol of verdovende middelen). ▶De verkeersregels en de aangegeven snelheid aanhouden. ▶Uw rijsnelheid steeds aan de toestand van de weg en de verkeers- en weers-omstandigheden aanpassen. ▶Op lange ritten regelmatig pauzeren (ten minste eens in de twee uur). Voor de gelden de volgende aanwijzingen die, indien ze niet wordenbijrijderopgevolgd, tot zwaar of dodelijk letsel kunnen leiden.
▶Niet tegen het dashboard leunen. ▶De voeten niet op het dashboard leggen. Voor alle gelden de volgende aanwijzingen die, indien ze niet wor-inzittendenden opgevolgd, tot zwaar of dodelijk letsel kunnen leiden. ▶Niet alleen op het voorste deel van de zitting gaan zitten. ▶Niet dwars op de stoel gaan zitten. ▶Niet uit de ruiten leunen. ▶De ledematen niet uit het raam steken. ▶De voeten niet op de zitting leggen. Juiste en veilige zithoudingInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Juiste zithouding van de bestuurder 9Stand van het stuurwiel instellen 10 8Veiligheid.
Juiste zithouding van de bijrijder 10Juiste zithouding van de passagiers op de zitplaatsen achterin 11ATTENTIE■De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de li-chaamslengte worden ingesteld en de veiligheidsgordels moeten altijdgoed omgegespt zijn, zodat de inzittenden zo optimaal mogelijk wordenbeschermd. ■Iedere inzittende in de wagen moet de bij die zitplaats horende veilig-heidsgordel juist omgespen en dragen. Kinderen moeten met een geschiktveiligheidssysteem worden vastgezet , » pagina 20 Veilig vervoer van kin-deren. ■Door een verkeerde zithouding stelt de inzittende zich bloot aan levens-gevaarlijke verwondingen. ■Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, om-dat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatievezin worden beïnvloed - gevaar voor verwondingen.
Juiste zithouding van de bestuurderAfbeelding 2 Juiste zithouding van de bestuurder / juiste stand van han-den aan het stuurwielLees en bekijk eerst op bladzijde 9. Met het oog op uw eigen veiligheid en om het gevaar voor verwondingen bijeen ongeval te verminderen, moeten de volgende aanwijzingen in acht wor-den genomen. De bestuurdersstoel in lengterichting zo instellen dat u de pedalen metlicht gebogen benen volledig kunt intrappen. De leuning zodanig verstellen, dat u het stuurwiel op het bovenste puntmet licht gebogen armen kunt vastpakken. Het stuurwiel zo instellen dat de afstand A tussen stuurwiel en borstkasten minste 25 cm bedraagt. » Afbeelding 2De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo-veel mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd B » Af-beelding 2 (geldt niet voor stoelen met geïntegreerde hoofdsteunen).
De veiligheidsgordel juist omgespen , » pagina 11 Veiligheidsgordels ge-bruiken. ATTENTIE■Vóór elke rit de juiste zithouding innemen en deze houding ook tijdens derit niet wijzigen.
Ook de passagiers erop wijzen de juiste zithouding in tenemen en deze houding ook tijdens de rit niet te wijzigen. ■Een afstand tot het stuurwiel van minimaal 25 cm aanhouden. Als de mi-nimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet be-schermen - levensgevaar. ■Het stuurwiel tijdens het rijden met beide handen vasthouden aan debuitenzijde van het stuur op "kwart" over "negen". Nooit het» Afbeelding 2stuurwiel op "12 uur" vasthouden of in een andere stand (bijvoorbeeld inhet midden, aan de binnenzijde van het stuurwiel enz. ). Bij activering vande bestuurdersvoorairbag zou zwaar letsel aan uw armen, handen en hoofdkunnen worden toegebracht. ■Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden om-dat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen ko-men.
Stand van het stuurwiel instellenAfbeelding 3 Stuurwielstand instellenLees en bekijk eerst op bladzijde 9. De stand van het stuurwiel kan in hoogte en in lengterichting worden versteld. ›De borghendel onder het stuurwiel in pijlrichting 1 zwenken. » Afbeelding 3›Het stuurwiel in de gewenste stand zetten. Het stuurwiel kan in pijlrichting2 worden versteld. ›De borghendel tot de aanslag in pijlrichting 3 drukken. ATTENTIE■Het stuurwiel nooit tijdens het rijden verstellen, maar alleen als de wagenstilstaat. ■De borghendel moet vergrendeld zijn, opdat de stand van het stuurwielniet onbedoeld wijzigt - er bestaat gevaar voor ongevallen. Juiste zithouding van de bijrijderLees en bekijk eerst op bladzijde 9. Met het oog op de veiligheid van de passagier en om het gevaar voor verwon-dingen bij een ongeval te verminderen, moeten de volgende aanwijzingen inacht worden genomen.
De bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven. De bijrijder moeteen minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhou-den, zodat de airbag bij een activering de grootst mogelijke veiligheidbiedt. De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo-veel mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd B » Af-beelding 2 (geldt niet voor stoelen met geïntegreerde hoofd-op pagina 9steunen). De veiligheidsgordel juist omgespen , » pagina 11 Veiligheidsgordels ge-bruiken. In uitzonderingsgevallen kan de bijrijdersvoorairbag buiten werking wordengesteld ,. » pagina 18 Airbags buiten werking stellenATTENTIE■Een afstand tot het dashboard van minimaal 25 cm aanhouden. Als de mi-nimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet be-schermen - levensgevaar.
■De voeten altijd tijdens het rijden in de voetenruimte houden - leg uwvoeten nooit op het dashboard, uit het raam of op de zitting. Door een ver-keerde zithouding stelt u zich bij remmen of een aanrijding bloot aan eenverhoogd risico van lichamelijk letsel.
Juiste zithouding van de passagiers op de zitplaatsen achterinLees en bekijk eerst op bladzijde 9. Om het gevaar voor verwondingen bij plotseling remmen of een ongeval teverminderen, moeten de passagiers op de zitplaatsen achterin op het volgen-de letten:De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo-veel mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd B » Af-beelding 2. op pagina 9De veiligheidsgordel juist omgespen , » pagina 11 Veiligheidsgordels ge-bruiken. Een geschikt kinderveiligheidssysteem gebruiken als u kinderen in de wa-gen meeneemt ,.
» pagina 20 Veilig vervoer van kinderenVeiligheidsgordelsVeiligheidsgordels gebruikenInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Het natuurkundige principe van een frontale botsing 12Goed verloop van gordelband 13Veiligheidsgordels omgespen en losmaken 13Correct omgegespte veiligheidsgordels bieden een goede bescherming bij on-gelukken. Ze verkleinen het risico op lichamelijk letsel aanzienlijk en vergrotende kans een zwaar ongeval te overleven. Correct omgegespte veiligheidsgordels houden de inzittenden op goed inge-stelde stoelen in de juiste zithouding. Bij het vervoeren van kinderen moet u rekening houden met speciale veilig-heidsaspecten. » pagina 20ATTENTIE■Vóór elke rit de veiligheidsgordel correct omgespen - ook in stadsverkeer. Dat geldt ook voor andere passagiers - er bestaat gevaar voor verwondin-gen.
■De maximale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt al-leen bij een correcte zithouding bereikt , » pagina 8 Juiste en veilige zithou-ding. ■De leuningen mogen niet te ver naar achteren staan, omdat anders dewerking van de veiligheidsgordel teniet kan worden gedaan. ATTENTIEAanwijzingen voor het juiste gordelbandverloop■Altijd op het juiste verloop van de veiligheidsgordel letten. Een verkeerdgedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel lei-den.
ATTENTIE (vervolg)■Een te los gedragen veiligheidsgordel kan tot letsel leiden, omdat uw li-chaam bij een ongeval door de bewegingsenergie verder naar voren komten dan abrupt door de veiligheidsgordel wordt afgeremd. ■De gordel nooit over vaste of breekbare voorwerpen leiden (bijvoorbeeldbrillen, balpennen, sleutels enzovoort). Deze voorwerpen kunnen tot ver-wondingen leiden. ATTENTIEAanwijzingen voor het bedienen van de veiligheidsgordels■De gordel mag niet zijn vastgeklemd, zijn verdraaid of langs scherpe rand-en schuren. ■Let erop dat de veiligheidsgordel bij het sluiten van het portier niet wordtingeklemd. ATTENTIEAanwijzingen voor het juiste gebruik van de veiligheidsgordels■Met een veiligheidsgordel mogen nooit twee personen (ook geen kinde-ren) worden vastgegespt. ■De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slot-deel worden gestoken.
Het verkeerd omdoen van de veiligheidsgordel be-invloedt de beschermende werking hiervan en de kans op letsel neemt toe. ■De invoertrechter van de slotgesp mag niet verstopt zijn, omdat andersde slotgesp niet kan vergrendelen. ■Veel lagen kleding en ook losse kleding (bijvoorbeeld een mantel overeen colbert) belemmeren het correct aanliggen en de werking van de veilig-heidsgordels. ■Geen klemmen of andere voorwerpen voor het instellen van de veilig-heidsgordels (bijvoorbeeld voor het inkorten van de veiligheidsgordels bijkleinere personen) gebruiken. ■De veiligheidsgordels voor de zitplaatsen achterin kunnen alleen goedfunctioneren als de achterbankleuning correct is vergrendeld. » pagina 74ATTENTIEAanwijzingen voor het onderhoud van de veiligheidsgordels■De gordelband moet schoon worden gehouden.
Een vervuilde veiligheids-gordel kan de werking van de veiligheidsgordel negatief beïnvloeden » pa-gina 144. ATTENTIE (vervolg)■De veiligheidsgordels mogen niet worden uitgebouwd en op geen enkelemanier worden gewijzigd. Nooit proberen om de veiligheidsgordels zelf terepareren.
■De staat van de veiligheidsgordels regelmatig controleren. Als beschadi-gingen van de veiligheidsgordel, de gordelverbindingen, de gordeloprolau-tomaat of het slot worden vastgesteld, moet de betreffende veiligheids-gordel door een specialist worden vervangen. ■Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor uit-gerekt worden, moeten worden vervangen - bij voorkeur door een specia-list. Tevens moeten de verankeringen van de veiligheidsgordels worden ge-controleerd. Het natuurkundige principe van een frontale botsingAfbeelding 4 Niet-vastgegespte bestuurder / niet-vastgegespte passa-gier op zitplaats achterinLees en bekijk eerst op bladzijde 11. Zodra de wagen in beweging is, ontstaat zowel bij de wagen als bij de inzitten-den van de wagen bewegingsenergie, de zogenaamde kinetische energie.
De mate van kinetische energie is sterk afhankelijk van de snelheid van de wa-gen en van het gewicht van de wagen en de inzittenden. Als de snelheid van 25 km/h naar 50 km/h wordt verdubbeld, wordt de bewe-gingsenergie verviervoudigd. Het gewicht van bijvoorbeeld een persoon van 80 kg "neemt" bij 50 km/h toetot 4,8 ton (4. 800 kg). 12 Veiligheid.
Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren ge-slingerd en stoten zij ongecontroleerd tegen delen in het interieur, zoals hetstuurwiel, het dashboard of de voorruit - » Afbeelding 4 . U kunt onder be-paalde omstandigheden zelfs uit de wagen worden geslingerd, wat levensge-vaarlijk of zelfs dodelijk letsel tot gevolg kan hebben. Een niet-vastgegespte passagier op een van de zitplaatsen achterin die geengordel draagt, brengt niet alleen zichzelf in gevaar, maar ook degene die vóórhem zit - » Afbeelding 4 . Goed verloop van gordelbandAfbeelding 5 Verloop van de gordelband van de schouder- en heupgor-del / gordelverloop bij zwangere vrouwenAfbeelding 6Voorstoel: Hoogteverstelling vei-ligheidsgordelsLees en bekijk eerst op bladzijde 11. Voor de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels is het gor-delverloop van groot belang.
Het schoudergordeldeel mag nooit over de hals lopen, maar moet ongeveerover het midden van de schouder lopen en goed tegen het bovenlichaam aan-liggen. Het heupgordeldeel moet vóór het bekken worden gelegd, mag nietover de buik lopen en moet altijd strak tegen het lichaam aanliggen » Afbeel-ding 5 - . Gordelhoogteverstelling voor de voorstoelenMet behulp van de gordelhoogteverstelling kan het verloop van de voorsteveiligheidsgordel bij de schouder worden aangepast aan het lichaam. ›De doorvoerplaat indrukken en in de gewenste richting schuiven » Afbeel-ding 6. ›Na het verstellen met een ruk aan de veiligheidsgordel trekken om te contro-leren of de doorvoerplaat goed is vergrendeld. Veiligheidsgordels bij zwangere vrouwenOok zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen datbiedt de beste bescherming voor het ongeboren kind.
Bij zwangere vrouwen moet het heupgordeldeel zo diep mogelijk tegen hetbekken liggen, zodat er geen druk op de onderbuik wordt uitgeoefend » Af-beelding 5 - .
Goed ingestelde hoofdsteunen (geldt niet voor stoelen met geïntegreerdehoofdsteunen). Goed ingestelde stoel (geldt voor de voorstoelen). Goed ingesteld stuurwiel (geldt voor de bestuurdersstoel). Omgespen›De gordel aan de slotgesp langzaam over borst en bekken trekken. ›De slotgesp in het bij de stoel behorende gordelslot - » Afbeelding 7 ste-ken tot deze hoorbaar vastklikt. ›Aan de veiligheidsgordel trekken en controleren of de slotgesp goed in hetslot is vastgeklikt. LosmakenVeiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen losmaken. ›De rode knop in het gordelslot - » Afbeelding 7 indrukken, de slotgespspringt uit het slot. ›De gordel met de hand teruggeleiden, zodat deze gemakkelijker volledig op-rolt en daarbij niet verdraait. VOORZICHTIGBij het losmaken van de veiligheidsgordel erop letten, dat de slotgesp de por-tierbekleding en andere delen van het interieur niet beschadigt.
Gordeloprolautomaten en gordelspannersInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Gordeloprolautomaten 14Gordelspanner 14GordeloprolautomatenElke veiligheidsgordel is uitgerust met een gordeloprolautomaat. Bij langzaamtrekken aan de veiligheidsgordel is de volledige bewegingsvrijheid van de gor-del gegarandeerd. Als met een ruk aan de veiligheidsgordel wordt getrokken, wordt deze door deoprolautomaat geblokkeerd. De veiligheidsgordels blokkeren ook bij een nood-remming, bij het accelereren, bij het rijden in de bergen en in bochten. ATTENTIEIndien de veiligheidsgordel niet blokkeert als hier met een ruk aan wordtgetrokken, dient deze direct door een specialist te worden gecontroleerd.
GordelspannerDe veiligheid van bestuurder en bijrijder wordt door de gor-gordeldragendedelspanners op de oprolautomaten van de voorste veiligheidsgordels vergroot. De veiligheidsgordels worden bij een ongeval door de gordelspanner gespan-nen, zodat een ongewenste lichaamsbeweging wordt voorkomen.
Bij een frontale aanrijding of een aanrijding van achteren vanaf een bepaaldezwaarte worden de veiligheidsgordels voorin automatisch gespannen. Bij aanrijdingen van opzij vanaf een bepaalde zwaarte wordt de veiligheidsgor-del aan de zijde van de aanrijding automatisch gespannen. Bij frontale botsingen, aanrijdingen van opzij en van achteren, bij eenlichtekoprol en bij ongevallen waarbij geen grote krachten werkzaam zijn, vindt ergeen activering van de gordelspanners plaats. ATTENTIE■Alle werkzaamheden aan het systeem evenals het uit- en inbouwen vansysteemonderdelen vanwege andere reparatiedoeleinden mogen alleendoor een specialist worden uitgevoerd. ■Als de gordelspanners werden geactiveerd, moet het systeem wordenvervangen. Let op■De gordelspanners kunnen ook bij niet gedragen veiligheidsgordels wordengeactiveerd. ■Bij het activeren van de gordelspanners komt rook vrij.
AirbagsysteemBeschrijving van het airbagsysteemInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Systeembeschrijving 15Airbagactivering 15Het airbagsysteem biedt in samenwerking met omgegespte veiligheidsgordelseen extra inzittendenbescherming bij ernstige aanrijdingen van voren en vanopzij. De status van het airbagsysteem wordt door het controlelampje in het in-strumentenpaneel weergegeven. » pagina 34ATTENTIE■De beste beschermende werking van de airbags wordt alleen in combi-natie met omgegespte veiligheidsgordels bereikt. ■De airbag is geen vervanging van de veiligheidsgordel, maar een deel vanhet totale passieve veiligheidsconcept van de wagen.
■Om ervoor te zorgen dat de inzittenden bij het activeren van de airbagszo optimaal mogelijk worden beschermd, moet de instelling van de voor-stoelen aan de lichaamsgrootte zijn aangepast , » pagina 8 Juiste en veiligezithouding. ■Wanneer u tijdens het rijden geen veiligheidsgordels hebt omgegespt, tever naar voren leunt of een andere verkeerde zitpositie inneemt, staat u bijeen ongeval bloot aan een verhoogd gevaar voor letsel. ATTENTIEAanwijzingen voor het behandelen van het airbagsysteem■Als zich een storing voordoet, het airbagsysteem direct door een specia-list laten controleren. Anders bestaat het gevaar dat de airbags bij een on-geval niet worden geactiveerd. ■Aan de delen van het airbagsysteem mag geen enkele verandering wor-den aangebracht.
ATTENTIE (vervolg)■Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem evenals het in- en uitbou-wen van onderdelen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaam-heden (bijvoorbeeld het stuurwiel uitbouwen) mogen alleen door een spe-cialist worden uitgevoerd. ■Nooit wijzigingen aan de voorbumper of aan de carrosserie aanbrengen. ■Niet aan de afzonderlijke delen van het airbagsysteem manipuleren, om-dat dit tot activeren van een airbag kan leiden.
■Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden vervangen. SysteembeschrijvingLees en bekijk eerst op bladzijde 15. Het opblazen van de airbag gebeurt in een fractie van een seconde. Als de airbags worden geactiveerd, vullen ze zich met gas en ontvouwen zich. Bij het opblazen van de airbag komt een grijs-wit of rood, onschadelijk gas vrij. Dat is volkomen normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitge-broken. Het airbagsysteem bestaat (afhankelijk van de wagenuitvoering) uit devolgende onderdelen. ▶Voorairbag voor de bestuurder en de bijrijder. » pagina 16▶Zij-airbags. » pagina 17▶Hoofdairbags. » pagina 18▶Airbagcontrolelampje in het instrumentenpaneel. » pagina 34▶Sleutelschakelaar voor bijrijdersvoorairbag. » pagina 19▶Controlelampje voor de bijrijdersvoorairbag in het middenstuk van het dash-board.
» pagina 19AirbagactiveringLees en bekijk eerst op bladzijde 15. Het airbagsysteem is alleen bij ingeschakeld contact actief. ActiveringsvoorwaardenDe voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden van het airbagsysteemkunnen niet exact worden gedefinieerd. Een belangrijke rol hierbij spelen bij-voorbeeld factoren zoals de aard van het obstakel dat door de wagen wordtgeraakt (hard, zacht), de botsingshoek, rijsnelheid enzovoort. 15Airbagsysteem.
RijdenWegrijden en rijdenMotor met de sleutel starten en afzettenInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Elektronische wegrijblokkering 98Stuurslot vergrendelen/ontgrendelen 99Contact in-/uitschakelen en motor starten 99Motor afzetten 99Met de contactsleutel in het contactslot kan het contact worden in- en uitge-schakeld en de motor worden gestart en afgezet. ATTENTIE■Tijdens het rijden met niet-draaiende motor moet het contact altijd inge-schakeld zijn ,. » pagina 99 Contact in-/uitschakelen en motor starten■Bij uitgeschakeld contact kan het stuurslot aangrijpen -» pagina 99gevaar voor ongevallen. ■De contactsleutel pas uit het contactslot verwijderen als de wagen totstilstand is gekomen ,. Anders kan het stuurslot ver-» pagina 106 Parkerengrendelen - er bestaat gevaar voor ongevallen.
■Bij het verlaten van de wagen de sleutel nooit in de wagen achterlaten. Onbevoegde personen, bijvoorbeeld kinderen, zouden bijvoorbeeld de wa-gen kunnen vergrendelen, het contact kunnen inschakelen of de motorkunnen starten - er bestaat gevaar voor verwondingen, ongevallen en be-schadigingen. ■De wagen nooit met draaiende motor zonder toezicht laten, er bestaatbijvoorbeeld gevaar voor ongevallen, beschadiging of diefstal. ■Nooit de motor afzetten voordat de wagen stilstaat - gevaar voor onge-vallen. ATTENTIE■De motor nooit in afgesloten ruimten (bijvoorbeeld in een garage) latendraaien - vergiftigings- en levensgevaar. ■Geen voorwerpen (bijvoorbeeld poetsdoeken of gereedschap) in de mo-torruimte laten liggen. Er bestaat gevaar voor brand en motorschade. ■De motor nooit met extra dempingsmateriaal (bijvoorbeeld een deken) af-dekken - brandgevaar.
Als starthulp kunt u de accu van een andere wa-gen gebruiken. » pagina 173Let opDe motor niet bij stilstand laten warmdraaien. Zo mogelijk direct na het startenvan de motor wegrijden. Daardoor bereikt de motor sneller zijn bedrijfstempe-ratuur. Elektronische wegrijblokkeringLees en bekijk eerst en op bladzijde 98. Door de elektronische wegrijblokkering (hierna wegrijblokkering) wordt eenmogelijke diefstalpoging of het onbevoegd gebruik van uw wagen bemoeilijkt. In de greep van de sleutel bevindt zich een elektronische chip. Met behulphiervan wordt de wegrijblokkering uitgeschakeld als de sleutel in het contact-slot wordt gestoken. Zodra de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd, wordt de wegrijblokke-ring automatisch geactiveerd. StoringenBij een storing van de componenten van de wegrijblokkering in de sleutel kande motor niet worden gestart.
Op het display van het instrumentenpaneel ver-schijnt een melding dat de wegrijblokkering actief is. Om te starten de andere sleutel gebruiken, eventueel de hulp van een specia-list inroepen. 98 Rijden.
Stuurslot vergrendelen/ontgrendelenLees en bekijk eerst en op bladzijde 98. Door de stuurvergrendeling wordt een mogelijke poging tot diefstal van uwwagen bemoeilijkt. Vergrendelen›De sleutel uit het contact trekken. ›Het stuurwiel naar links of rechts draaien, tot het stuurslot hoorbaar ver-grendelt. Ontgrendelen›De contactsleutel in het contactslot steken. ›Het contact inschakelen. » pagina 99Het contactslot wordt ontgrendeld. Als het contact niet kan worden ingeschakeld, het stuurwiel iets heen en weerbewegen om het stuurslot te ontgrendelen. Contact in-/uitschakelen en motor startenAfbeelding 110Standen van de sleutel in het contactslotLees en bekijk eerst en op bladzijde 98. Standen van de sleutel in het contactslot » Afbeelding 110Contact uitgeschakeld, motor afgezetContact ingeschakeldMotor startenContact in-/uitschakelen›De sleutel in de stand 2 draaien.
Het contact wordt ingeschakeld. 123›De sleutel in de stand 1 draaien. Het contact wordt uitgeschakeld. Handelwijze bij het starten van de motor›De handrem stevig aantrekken. ›Bij wagens met de versnellingshendel in de neutrale stand zet-schakelbakten, het koppelingspedaal intrappen en ingetrapt houden, tot de motor isaangeslagen. ›Bij wagens met de keuzehendel in stand ofautomatische versnellingsbak PN zetten en het rempedaal intrappen en ingetrapt houden, tot de motor isaangeslagen. ›De sleutel tot de aanslag in stand 3 draaien - de motor wordt gestart (geengas geven). ›De sleutel loslaten, de motor slaat automatisch aan. Bij het loslaten springt de sleutel in stand 2 terug. Als de motor niet binnen 10 seconden aanslaat, de sleutel in stand 1 draaien. Het starten na circa een halve minuut herhalen.
Bij wagens met gaat tijdens het starten het voorgloeicontrole-dieselmotorenlampje branden. Na het uitgaan van het controlelampje slaat de motor aan. Let op■Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid tehoren zijn.
Dat is een normaal verschijnsel en geen reden om u zorgen te ma-ken. ■Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn inge-schakeld - de accu wordt anders onnodig belast. Motor afzettenLees en bekijk eerst en op bladzijde 98. ›De wagen stilzetten ,. » pagina 106 Parkeren›De sleutel in de stand 1 draaien. » Afbeelding 110 op pagina 99De motor en het contact worden tegelijkertijd uitgeschakeld. Bij wagens met automatische versnellingsbak kan de contactsleutel alleenworden verwijderd als de keuzehendel zich in stand bevindt. P 99Wegrijden en rijden.
VOORZICHTIGNa langdurige hoge motorbelasting de motor niet direct afzetten als de wagenstilstaat, maar nog circa 1 minuut stationair laten draaien. Daarmee wordtwarmteophoping in de afgezette motor voorkomen. Let opNadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator (ook bij uitge-schakeld contact) nog circa 10 minuten verder draaien. Motor met drukknop starten en afzettenInleiding voor het onderwerpAfbeelding 111Startknop ( )In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Stuurslot vergrendelen/ontgrendelen 100Contact in-/uitschakelen 101Motor starten 101Motor afzetten 101Problemen met starten van de motor 102Met de startknop kan het contact worden in- en uitgeschakeld en de motorworden gestart en afgezet.
» Afbeelding 111Om de stuurinrichting te ontgrendelen, het contact in te schakelen, de motorte starten en te rijden, moet de sleutel in de wagen aanwezig zijn. ATTENTIE■Bij het verlaten van de wagen de sleutel nooit in de wagen achterlaten. Onbevoegde personen, bijvoorbeeld kinderen, zouden bijvoorbeeld de wa-gen kunnen vergrendelen, het contact kunnen inschakelen of de motorkunnen starten - gevaar voor verwondingen, ongevallen en beschadigin-gen. ■De wagen nooit met draaiende motor zonder toezicht laten, er bestaatgevaar voor ongevallen, diefstal en andere. ■Nooit de motor afzetten voordat de wagen stilstaat - gevaar voor onge-vallen. ATTENTIEDe motor nooit in afgesloten ruimten (bijvoorbeeld in een garage) latendraaien - vergiftigings- en levensgevaar.
VOORZICHTIG■Het systeem kan de geldige sleutel herkennen, ook als deze op het dak vande wagen is vergeten - gevaar voor verlies of beschadiging van de sleutel. ■De motor alleen starten als de motor niet draait en de wagen stilstaat - ge-vaar voor schade aan de startmotor en de motor. ■De motor niet starten door de wagen aan te slepen - gevaar voor schade aande motor en de katalysator.
Als starthulp kunt u de accu van een andere wa-gen gebruiken. » pagina 173Let op■De motor niet bij stilstand laten warmdraaien. Zo mogelijk direct na het star-ten van de motor wegrijden. Daardoor bereikt de motor sneller zijn bedrijfs-temperatuur. ■Het systeem is voorzien van een beveiliging tegen ongewild afzetten van demotor tijdens het rijden, de motor kan dus alleen in geval van nood worden af-gezet. » pagina 101Stuurslot vergrendelen/ontgrendelenLees en bekijk eerst en op bladzijde 100. Door de stuurvergrendeling wordt een mogelijke poging tot diefstal van uwwagen bemoeilijkt. Vergrendelen›De motor afzetten. 100 Rijden.
›Het bestuurdersportier openen. Het stuurslot wordt automatisch vergrendeld. Als het bestuurdersportier wordt geopend en daarna het contact wordt uitge-schakeld, wordt de stuurinrichting pas na het afsluiten van de wagen automa-tisch vergrendeld. Ontgrendelen›Het bestuurdersportier openen en instappen. ›Het bestuurdersportier sluiten. De stuurinrichting wordt automatisch ontgrendeld. Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld na het uitschakelen van hetcontact en openen van het bestuurdersportier) wordt de stuurinrichting pas nahet inschakelen van het contact resp. starten van de motor ontgrendeld. ATTENTIEDe wagen nooit met vergrendelde stuurinrichting laten rollen - gevaar voorongevallen. Contact in-/uitschakelenLees en bekijk eerst en op bladzijde 100. ›De knop kort indrukken. » Afbeelding 111 op pagina 100Het contact wordt in- resp. uitgeschakeld. Bij wagens met mag bij het in- resp.
uitschakelen van het contactschakelbakhet koppelingspedaal niet worden ingetrapt, anders zou het systeem proberente starten. Bij wagens met mag bij het in- resp. uitschakelen van het contactautomaathet rempedaal niet worden ingetrapt, anders zou het systeem proberen testarten. Als bij ingeschakeld contact het bestuurdersportier wordt geopend, klinkt eenakoestisch signaal en op het display van het instrumentenpaneel wordt de vol-gende melding weergegeven. Contact is ingeschakeld. CONTACT NOG AANBij het verlaten van de wagen dient het contact altijd te worden uitgeschakeld. Motor startenLees en bekijk eerst en op bladzijde 100. Handelwijze bij het starten van de motor›De handrem stevig aantrekken. ›Bij wagens met de versnellingshendel in de neutrale stand zet-schakelbakten, het koppelingspedaal intrappen en ingetrapt houden, tot de motor isaangeslagen.
›De knop kort indrukken - de motor slaat auto-» Afbeelding 111 op pagina 100matisch aan. Bij wagens met gaat na het indrukken van de knop het voorgloei-dieselmotorcontrolelampje branden. Na het uitgaan van het controlelampje slaat demotor aan. Let op■Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid tehoren zijn. Dat is een normaal verschijnsel en geen reden om u zorgen te ma-ken. ■Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn inge-schakeld - de accu wordt anders onnodig belast. Motor afzettenLees en bekijk eerst en op bladzijde 100. Uitschakelen›De wagen stilzetten ,. » pagina 106 Parkeren›De knop kort indrukken. » Afbeelding 111 op pagina 100De motor en het contact worden tegelijkertijd uitgeschakeld. NooduitschakelingIndien nodig kan de motor in uitzonderingssituaties ook tijdens het rijden wor-den afgezet.
VOORZICHTIGNa langdurige hoge motorbelasting de motor niet direct afzetten als de wagenstilstaat, maar nog circa 1 minuut stationair laten draaien. Daarmee wordtwarmteophoping in de afgezette motor voorkomen. Let opNadat het contact is uitgeschakeld, kan de koelluchtventilator (ook bij uitge-schakeld contact) nog circa 10 minuten verder draaien. Problemen met starten van de motorAfbeelding 112Motor starten - knop met desleutel indrukkenLees en bekijk eerst en op bladzijde 100. De sleutel in de wagen kan niet worden gecontroleerdAls de sleutel in de wagen niet kan worden gecontroleerd, kan de motor nietmet de startknop worden gestart. Op het display in het instrumentenpaneel wordt een van de volgende meldin-gen weergegeven. Sleutel niet herkend. Instructieboekje. Sleutel niet gevonden. GEEN SLEUTELDit kan de volgende oorzaken hebben:▶De batterij in de sleutel is bijna ontladen.
▶In de sleutel zit een storing. ▶Het signaal tussen het systeem en de sleutel wordt gestoord (sterk elektro-magnetisch veld). Proberen om de motor te starten door de knop met de sleutel in te drukken» Afbeelding 112. SysteemstoringWordt op het display in het instrumentenpaneel de volgende melding weerge-geven, dan is er een systeemstoring. Keyless defect. KEYLESS DEFECTProberen om de motor te starten door de knop met de sleutel in te drukken» Afbeelding 112. VOORZICHTIGDe sleutel kan alleen worden gecontroleerd als deze zich in de wagen bevindt. Daarom moet u altijd weten waar de sleutel zich bevindt. Let op■Bij een startpoging moet de sleutel met de sleutelbaard naar de knop gerichtzijn. » Afbeelding 112■Als de motor na het indrukken van de knop met de sleutel niet aanslaat, danmoet er contact worden opgenomen met een specialist.
Start-stopsysteemInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Werking 103Systeem handmatig deactiveren/activeren 104Meldingen 104Het start-stopsysteem (hierna systeem) reduceert de CO 2-uitstoot en schade-lijke emissies en spaart brandstof. Als het systeem herkent, dat bij het stoppen (bijvoorbeeld bij een verkeers-licht) het draaien van de motor niet nodig is, wordt de motor afgezet en voorhet wegrijden weer gestart. De werking van het systeem is van vele factoren afhankelijk. Aan enkele ervanmoet de bestuurder voldoen, de andere zijn systeemafhankelijk en kunnenniet worden beïnvloed en zijn niet zichtbaar. Daarom kan het systeem in situaties, die voor de bestuurder identiek zijn,verschillend reageren.
Het systeem wordt keer bij het inschakelen van het contact (ook als hetelkemet de toets handmatig is gedeactiveerd) automatisch geactiveerd. 102 Rijden.
Let opAls de motor systeemafhankelijk is afgezet, blijft het contact ingeschakeld. WerkingAfbeelding 113DisplayweergaveWagens met schakelbakDe motor wordt automatisch , zodra de wagen tot stilstand komt, deafgezetversnellingshendel in de neutrale stand wordt gezet en het koppelingspedaalwordt losgelaten. De motor wordt automatisch , zodra het koppelingspedaal wordt inge-gestarttrapt. Wagens met automatische versnellingsbakDe motor wordt automatisch , zodra de wagen tot stilstand komt enafgezethet rempedaal wordt ingetrapt. De motor wordt automatisch , zodra het rempedaal wordt losgelaten. gestartVoorwaarden voor de systeemfunctieVoor een correcte systeemfunctie dient aan de volgende voorwaarden te wor-den voldaan. Het bestuurdersportier is gesloten. De bestuurder heeft de veiligheidsgordel omgegespt. De motorkap is gesloten. De snelheid was na de laatste keer stoppen hoger dan 4 km/h.
Er is geen aanhangwagen aangekoppeld. SysteemtoestandDe systeemtoestand wordt bij het stoppen op het display weergegeven » Af-beelding 113. De motor wordt automatisch afgezet, bij het wegrijden wordt automatischopnieuw gestart. De motor is niet automatisch afgezet. Redenen voor de draaiende motorHet laten draaien van de motor bij het stoppen kan bijvoorbeeld om de volgen-de redenen noodzakelijk zijn. ▶De motortemperatuur voor het goed werken van het systeem is nog niet be-reikt. ▶De ladingstoestand van de accu is te laag. ▶Het stroomverbruik is te hoog. ▶Hoog airconditioning- resp. verwarmingsvermogen (hoog aanjagertoerental,groot verschil tussen de gewenste en werkelijke interieurtemperatuur).
Als bij automatisch afgezette motor het systeem herkent dat het draaien vande motor noodzakelijk is, bijvoorbeeld na het herhaaldelijk intrappen van hetrempedaal, dan zorgt het systeem ervoor dat de motor automatisch wordt ge-start.
InfotainmentweergaveInformatie over de actuele status van het systeem kan op het infotainmentdis-play worden weergegeven , hoofdstuk » Instructieboekje infotainment CAR -Wageninstellingen. Let op■Indien de wagen bijvoorbeeld langere tijd bij temperaturen onder het vries-punt in de buitenlucht staat of in direct zonlicht staat geparkeerd, kan hetmeerdere uren duren voordat de inwendige temperatuur van de accu geschik-te waarden bereikt voor een correcte werking van het systeem. ■Als bij automatisch afgezette motor gedurende langer dan 30 seconden debestuurdersgordel is losgemaakt of het bestuurdersportier wordt geopend,moet de motor handmatig worden gestart. ■Indien een wagen met met een lage snelheidautomatische versnellingsbakrijdt (bijvoorbeeld in de file) en na licht intrappen van het rempedaal blijftstaan, vindt er geen automatische motoruitschakeling plaats.
Door krachtigerintrappen van het rempedaal wordt de motor automatisch uitgeschakeld. ■Bij wagens met wordt de motor niet automa-automatisch versnellingsbaktisch afgezet als het systeem een manoeuvre als gevolg van een grote stuur-wielverdraaiing herkent. 103Wegrijden en rijden.
Systeem handmatig deactiveren/activerenAfbeelding 114Toets voor het start-stopsys-teemDeactiveren/activeren›Op symbooltoets drukken. » Afbeelding 114Bij een gedeactiveerd systeem brandt in de toets het controlelampje. Wordt het systeem gedeactiveerd, dan wordt dit na het uit- en inschakelenvan het contact automatisch weer geactiveerd. Let opAls het systeem bij automatisch afgezette motor wordt gedeactiveerd, danwordt de motor automatisch gestart. MeldingenDe meldingen worden op het display van het instrumentenpaneel weergege-ven. Motor handmatig starten. HANDMATIG STARTENAls bijvoorbeeld de bestuurdersgordel is losgegespt, moet de motor handma-tig worden gestart. Bij wagens met een startknop wordt door de eerste keer indrukken van destartknop het contact ingeschakeld, pas door de tweede keer indrukken wordter gestart.
Storing: Start-stopSTORING STARTSTOPEr is een storing in het systeem aanwezig. De hulp van een specialist inroepen. Remmen en parkerenInleiding voor het onderwerpIn dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:Informatie voor het remmen 104Handrem 105Parkeren 106ATTENTIE■Wanneer de motor is afgezet is meer kracht nodig om te remmen - gevaarvoor ongevallen. ■Tijdens het remmen met een wagen met schakelbak, ingeschakelde ver-snelling en in een laag toerenbereik, moet het koppelingspedaal worden in-getrapt. Anders zou dit een negatieve invloed op de rembekrachtiger kun-nen hebben - gevaar voor ongevallen. ■Bij het verlaten van de wagen nooit personen, die bijvoorbeeld de remkunnen loszetten, zonder toezicht in de wagen achterlaten. De wagen zouzich in beweging kunnen zetten - gevaar voor ongevallen.
Informatie voor het remmenLees en bekijk eerst en op bladzijde 104. SlijtageDe slijtage van de remblokken is afhankelijk van de gebruiksomstandighedenen de rijstijl. Wanneer vaak in de stad of met een zeer sportieve rijstijl wordt gereden, zul-len de remblokken sneller slijten. Onder deze moet de dikte van de remblok-zware gebruiksomstandighedenken ook tussen servicebeurten door een specialist worden gecontroleerd. 104 Rijden.
Vocht of strooizoutDe remmen kunnen vertraagd aangrijpen vanwege vochtige resp. in de winterbevroren of met een zoutlaag bedekte remschijven en remblokken. De rem-men moeten worden gereinigd en gedroogd door enkele keren te remmen». CorrosieCorrosie op de remschijven en vervuiling van de remblokken worden bevorderddoor langdurig stilstaan en matig gebruik van de remmen. De remmen moetenworden gereinigd door enkele keren te remmen. » Lange resp. steile hellingVoordat langere tijd resp. van een steile helling bergafwaarts wordt gereden,snelheid verminderen en naar de eerstvolgende lagere versnelling terugscha-kelen. Daardoor wordt de remwerking van de motor benut en worden de rem-men ontlast. Indien er moet worden bijgeremd, de voet niet continu op hetrempedaal houden, maar met tussenpozen remmen.
Noodstop aangevenAls bij een noodstop de wagensystemen de situatie voor het achteropkomen-de verkeer als gevaarlijk beoordelen, gaat het remlicht automatisch knipperen. Nadat de snelheid tot onder 10 km/h is gedaald of de wagen tot stilstand is ge-bracht, stopt het knipperen van het remlicht en worden de alarmlichten inge-schakeld. Als de wagen weer accelereert of wegrijdt, worden de alarmlichtenautomatisch uitgeschakeld. Storing in het remsysteemAls wordt geconstateerd dat de remweg plotseling langer is en het rempedaaleen langere slag maakt, is er mogelijk sprake van een storing in het remsys-teem. Direct een specialist opzoeken en uw rijstijl overeenkomstig aanpassen, omdatu niet op de hoogte bent van de exacte omvang van de schade. Laag remvloeistofpeilBij een te laag remvloeistofpeil kunnen er storingen in het remsysteem optre-den.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Skoda Rapid Spaceback (2016) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Skoda
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto