Junkers CSW 30-3 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Junkers CSW 30-3 (60 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarmingsketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 144 mensen en kreeg gemiddeld 4.3 sterren uit 7 reviews. Heb je een vraag over Junkers CSW 30-3 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Junkers |
| Categorie: | Verwarmingsketel |
| Model: | CSW 30-3 |
Handleiding Junkers CSW 30-3 – volledige tekst
Technische en praktische voorschriften N CSW 30-3 CSW 30-3/400 CerapurSolar condensatieketels met gestuwde afvoer Een onberispelijke werking kan slechts dan gewaarborgd worden, wanneer de technische voorschriften strikt opge-volgd worden. Wijzigingen voorbehouden. Wij verzoeken U deze voorschriften aandachtig te lezen en ze aan de gebruiker te overhandigen. Deze laatste ient ze zorgvuldig te bewaren. d DE INSTALLATIE, DE INBEDRIJFSTELLING, HET ONDERHOUD EN DE NAVERKOOPSERVICE MOETEN DOOR EEN ERKENDE INSTALLATEUR GEBEUREN. Deze gaswandketels dragen het keurmerk: cat. I2E(S) (aardgas) cat. I3P (vloeibaar gas) nv SERVICO sa Kontichsesteenweg 60 2630 AARTSELAAR TEL: 03 887 20 60 F AX: 03 877 01 29 Deutsche Fassung auf Anfrage erhältlich 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL)
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN EN VERKLARING VAN DE SYMBOLEN 4 BESCHRIJVING VAN DE KETEL 5 AANSLUITINGEN EN AFMETINGEN 6 VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING 9 TECHNISCHE GEGEVENS 10 OPBOUW & ELEKTRISCH SCHEMA 12 INSTALLATIE 15 - algemeen 15 - belangrijk 15 - installatie in een kast 15 - montageplaat 16 - geluiddempende mat monteren 17 - bevestiging van de ketel 17 - aansluiting van de rookgasafvoer 19 - hydraulische aansluiting 19 - gasaansluiting 21 ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN 22 - algemeen 22 - toebehoren aansluiten 22 - Heatronic openen 22 - verwarmingsregelingen of afstandsbedieningen aansluiten 23 - aansluiten van het buffervat SP 400 SHU 23 - aansluiten van een temperatuurbegrenzer TB 1 in een vloerverwarmingsinstallatie 24 - circulatiepomp aansluiten 24 - externe toebehoren aansluiten 25 - aansluiten van een extern buffervat 25 - externe circulatiepomp (secundaire kring) aansluiten 25 - externe drietraps circulatiepomp (primaire kring) aansluiten 25 INBEDRIJFNAME 26 - voor de inbedrijfname 27 - openen van het deksel 27 - verwarmingswaterdruk controleren 27 - in-/uitschakelen 28 - verwarming inschakelen 28 - temperatuurregeling 28 - na de inbedrijfname 29 - warmwatertemperatuur instellen 29 - spaarfunctie instellen 29 - zomerbedrijf 30 - vorstbeveiliging van de verwarmingsinstallatie en vat het buffervat 30 - vergrendeling van de Heatronic 30 - storingen 30 - pompblokkeringsbeveiliging 31
HEATRONIC INSTELLINGEN 32 - bediening van Heatronic 32 - overzicht van de servicefuncties 33 - serviceniveau 1 34 - serviceniveau 2 40 - tips voor energiebesparing 41 GASREGELING 41 ONDERRICHTINGEN 42 - nota voor de installateur 42 - nota voor de gebruiker 42 - controle van de ketel 42 - reinigen van de mantel 42 CONTROLE EN ONDERHOUD 43 - belangrijke opmerkingen 43 - wisselstukken en smeermiddelen 43 - na controle en onderhoud 43 - checklist voor het onderhoud 44 - schoorsteenvegertoets 44 - verseluchttoevoer / rookgasafvoermetingen met een ingesteld verwarmingsvermogen 44 - O2- of CO2-metingen in de verseluchttoevoer 45 - CO- en CO2-waarde in rookgas meten 45 - laatste foutmelding oproepen 45 - filter in de koudwatertoevoer 45 - platenwarmtewisselaar 46 - warmtewisselaar, brander en elektroden 47 - condenswatersifon reinigen 50 - membraan in de mengkamer 50 - expansievat controleren 50 - verwarmingswaterdruk controleren 51 - elektrische bedrading 51 - overdrukventiel 51 - sanitaire warmwaterleiding 51 - opnieuw in gebruik nemen 51 AANDUIDINGEN IN HET DISPLAY VAN DE KETEL 52 STORINGEN 53 - storingen oplossen 53 - storingen die in het display getoond worden 54 - storingen die niet in het display getoond worden 56 - meetwaarden van de voelers 57 NUTTIGE INLICHTINGEN 58 BELANGRIJKE NOTA’S 59 WAARBORG 59 D IENST NA VERKOOP (met techniekers uit Uw regio) 60
1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN EN VERKLARING VAN DE SYMBOLEN 1. 1 Veiligheidsvoorschriften Bij gasgeur f Gaskraan dichtdraaien. f Vensters en deuren openen. f Geen elektrische schakelaars bedienen. f Alle open vuur doven. Van op een andere plaats naar de gasmaatschappij, Uw installateur of JUNKERS telefoneren. f Bij geur van verbrande gassen f Doof de gasketel. f Vensters en deuren openen. Verwittig uw installateur of JUNKERS. f Montage, wijzigingen f Dit toestel dient door een bevoegde installateur te worden geplaatst. Hij dient zich te houden aan de geldende nationale en plaatselijke voorschriften. In geval van twijfel dient hij zich te informeren bij de officiële instanties of bij SERVICO nv. f De rookgasbuizen mogen niet gewijzigd worden. De verluchtingsopeningen mogen niet afgesloten of beperkt worden.
f Onderhoud f Het onderhoud van de gasketel mag enkel door een erkend installateur gedaan worden. f De installateur moet, op regelmatige tijdstippen, de gasketel onderhouden en controleren. f Een jaarlijkse onderhoudsbeurt is aanbevolen (zie ook regionale reglementering ter zake). f Er mogen enkel originele wisselstukken gebruikt worden. Explosieve en licht ontvlambare stoffen f Gebruik of bewaar geen ontvlambare stoffen (papier, oplosmiddelen, verf) in de nabijheid van de gasketel. Verbrandingslucht en omgevingslucht f Om corrosie te vermijden mag de verbrandingslucht geen agressieve dampen bevatten (bv. halogeen-koolwaterstoffen die chloor of fluor bevatten). Onderrichtingen voor de gebruiker f De gebruiker op de hoogte brengen van de bediening en de werking van de gasketel. f De gebruiker verwittigen dat hij geen enkele wijziging noch herstelling zelf mag uitvoeren.
f De gasketel werd niet ontworpen voor gebruik door personen (kinderen inbegrepen) met verminderde mentale en/of fysieke mogelijkheden of met een gebrek aan ervaring of kennis, tenzij bevoegde en verantwoorde personen hen de nodige instructies over het gebruik van de gasketel meegaven.
Waak erover dat kinderen niet met de gasketel spelen. f Reinig de mantel van het toestel met een vochtig doek. 1. 2 Verklaring van de symbolen Veiligheidsaanwijzingen in de tekst worden door middel van een grijs vlak en een gevarendriehoek aangeduid. Bij gevaar door elektriciteit wordt dit in de tekst worden door middel van een grijs vlak en een driehoek met bliksem aangeduid. Sig• naalwoorden geven de ernst aan van het risico als men zich niet houdt aan de maatregelen tot schadebeperking. Verwijzing betekent dat er mogelijk lichte materiële schade kan optreden. • Voorzichtig betekent dat er licht persoonlijk letsel of ernstige materiële schade kan optreden. • Waarschuwing betekent dat er ernstig persoonlijk letsel kan optreden. • Gevaar betekent dat er levensgevaar kan bestaan.
2. BESCHRIJVING VAN DE KETEL Condensatie-gaswandketel met elektronische ontsteking, ionisatiebeveiliging, gestuwde afvoer, en modulerende werking. Uitgerust met oververhittingbeveiliging. De ketel CSW 30-3 kan aangesloten worden op het buffervat SP 400 SHU en vormt zo het type CSW 30-3/400. Technische benaming: CSW 30-3 A 23 S 3600 (aardgas) Commerciële benamingen: CSW 30-3 CerapurSolar CSW 30-3/400 CerapurSolar (met buffervat) Algemene informatie D eze ketel aan de hand van de volgende richtlijnen zorgvuldig installeren. T ype afvoer: B23, C13, C33, C43, C53, C83, C93. D e ketel op aardgas dragen het HR - TOP keurmerk. De ketel is gekeurd op basis van de lastenkohieren CE en wordt vanuit de fabriek geregeld en verzegeld over-eenkomstig categorie I2E(S) (aardgas) of I3P (vloeibaar gas).
7. INSTALLATIE Gevaar: Voor explosies! f De gaskraan sluiten vooraleer werken aan gasvoerende delen uit te voeren. f Doe een dichtheidscontrole na werken aan gasvoerende delen. Algemeen Deze ketel dient door een bevoegde installateur te worden geplaatst. Hij dient zich te houden aan de geldende nationale en plaatselijke voorschriften. In geval van twijfel dient hij zich te informeren bij de officiële instanties of bij SERVICO nv. 7.1 Belangrijk D e ketel waterpas hangen. Let erop de volgende minimumafstanden te voorzien: • tussen ketel en plafond 30 cm • onder de ketel minimum 30 cm rondom de ketel 10 cm • D e ketel moet in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden. O m corrosie te vermijden mag de verse lucht voor de ketel geen agressieve dampen bevatten.
Ketels op vloeibaar gas: aangezien vloeibaar gas zwaarder is dan lucht, moeten deze ketels en de leidingen steeds in uimten met een benedenverluchting boven de begane grond, geplaatst worden. r De ketel moet in overeenstemming met de voorschriften van het A.R.E.I. geïnstalleerd worden. D e ketel is IPX 4 D gekeurd. In geen geval de ketel tegen een wand uit brandbaar materiaal plaatsen. B randbare stoffen moeten vuurwerend bekleed worden. D e maximale omgevingstemperatuur van de installatieruimte bedraagt 50°C. De maximale temperatuur van de buitenmantel ligt onder de 85°C, zodat er behalve voor omkastingen (zie fig. 7) geen speciale voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden. 7.2 Installatie in een kast Voorzie minimumafstanden van 10 cm rondom de ketel, 30 cm tot het plafond en 30 cm onder de ketel. Fig. 7 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 15
7.3 Montageplaat Bij de gasketel hoort deze afzonderlijk verpakte en eventueel vooraf leverbare montageplaat waarmee de leidingen reeds kunnen gemonteerd worden zonder de ketel. De verbinding tussen gasketel en montageplaat gebeurt met vijf dichtingen. Deze zijn opgehangen aan de onderkant van de gasketel. De afsluitkranen vergemakkelijken in belangrijke ate de eventuele demontage van de ketel. U dient de volledige set te gebruiken. m Montageplaten propaan: Deze montageplaten zijn bijna dezelfde als deze voor aardgas. Alleen is de gaskraan hier vervangen door een verbindingsbuis 3/4’’ met losse moer en dichting. jaardgas Î propaan Î Fig.
7.4 Ophangrail en montageplaat (met toebehoren nr. 1467) f Monteer de ophangrail met het bijgeleverde bevestigingsmateriaal. f Zet de beugels A en B (optie, toebehoren nr. 1467 – bestelnr. 7 719 003 854) (met afsluitkranen voor het buffervat) links en rechts op de montageplaat. f Monteer het geheel tegen de muur. C = aansluitpunt voor expansievat buffervat (optie) + warm CV-water uit buffervat D = aansluitpunt voor overdrukventiel buffervat 3 bar (optie) + retour koud CV-water naar buffervat Fig. 10 7.5 Bevestiging van de ketel Opgelet: Vuil in de CV-kring kan de ketel beschadigen. f Spoel de CV-kring om dit vuil te verwijderen. f Verwijder de verpakking van ketel en montageplaat. f Controleer de gassoort op het kenplaatje van de ketel. Mantel demonteren (fig. 11) De mantel is met 2 borgschroeven beveiligd tegen openen door onbevoegden. f De mantel steeds met deze schroeven beveiligen.
Bevestiging voorbereiden f Pluggen monteren. f Dichtingen op de nippels van de montageplaat leggen. Ketel bevestigen f Ketel op de voorbereide aansluitingen zetten en met de bijverpakte ringen en schroeven op de wand monteren. f Moeren op de aansluitingen vastdraaien. Slang van het overdrukventiel monteren (fig. 12) f De slang steeds afhellend monteren. Fig. 12 Condensafvoer monteren (toebehoren Nr. 432 - fig. 13) (bestelnummer 7 719 000 763 - niet meegeleverd) f Vervaardig de condensafvoer uit corrosiebestendige materialen zoals: harde PVC buizen, PVC buizen, PE-HD buizen, PP buizen, ABS/ASA buizen, gietijzeren buizen met geëmailleerde binnenzijde, stalen buizen met kunststoflaag, roestvrijstalen buizen, enz. Opgelet: f De condensafvoer niet wijzigen of afsluiten. f Afvoerslangen enkel afhellend monteren.
f Bij montage van een externe sifon, de flexibel van de condensaatafvoer met een zichtbare opening aan deze sifon aansluiten. Fig. 13 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 18
R ookgasbuis aansluiten Fig. 14 Fig. 15 Fig. 16 Raadpleeg de montagevoorschriften van de rookgasafvoer voor nadere inlichtingen. f Monteer de adapter (met meetstutten) op de ketel. f Monteer de rookgasbuis in de adapter. 7. 6 Aansluiting van de rookgasafvoer Bij de gesloten toestellen mogen enkel de afvoersystemen - aangeboden en geleverd door de fabrikant van de toestellen - gebruikt worden. Zij vormen één geheel bij de keuring van de toestellen. Bij het collectieve (CLV) systeem wordt de dubbelwandige CLV-koker door de fabrikant van het systeem geleverd. De verbinding tussen toestellen en CLV-systeem moet ook door de fabrikant van de toestellen eleverd worden. g Raadpleeg onze brochure ‘‘afvoersystemen HR TOP’‘ voor de montage. Voor de parallelle aansluiting, raden wij U aan onze dienst na verkoop te raadplegen.
Raadpleeg de normen NBN D 51-003, NBN B 61-002 en NBN D 51-006 voor meer informatie en andere toepassingen. 7. 7 Hydraulische aansluiting Bij installaties met kunststofbuizen moeten alle aansluitingen van de ketel (verwarming en sanitair) over een afstand an minimum 1,5 m in metalen buizen (bvb. koper of ijzer) uitgevoerd worden. v Opgelet: Indien het toestel op een net met zeer kalkhoudend water aangesloten wordt en het tevens veel gebruikt wordt, is het aan te bevelen een waterbehandeling te voorzien. 7. 7. 1 Aansluiting verwarming D e installatie moet voor de plaatsing van de ketel worden doorgespoeld.
7 .7.2 Beveiliging hydraulische aansluiting Opgelet: Voor een veilige werking van de installatie, dient de installateur de nodige beveiligingen te voorzien. Zie fig. 17. Fig. 17 1 expansievat CV (optie) 5veiligheidsgroep sanitair 8 bar (optie) 2 expansievat buffervat 50 liter (optie) 6overdrukklep CV 3 bar (ingebouwd in de ketel) 3 overdrukklep buffervat 3 bar (optie) 7overdrukklep solar 4 afsluitkranen uit toebehoren nr. 1467 8expansievat solar SAG 25 (toebehoren) 7.7.3 Aansluiting sanitair In overeenstemming met de norm NBN EN 1717 en Belgaqua, moet in de koudwateraansluiting een veiligheidsgroep 1/2’’ van 7 bar gemonteerd worden. Deze veiligheidsgroep mag ook op afstand worden geplaatst, maar wel voorbij de ftakking naar een andere koudwaterleiding. Voorzie tevens een afvoer voor het overtollige water.
a Opgelet: Om dat goede werking te controleren, éénmaal per maand de kraan en de klep van de veiligheidsgroep bedienen. Kalkafzetting kan de goede werking belemmeren. f Bij een koudwaterdruk hoger dan 5 bar, is het aan te raden een drukverminderaar van 3 bar voor de hele installatie te plaatsen. Hierdoor wordt vermeden dat de veiligheidsgroep te veel water loost en wordt de warmwatertemperatuur aan de mengkranen stabieler. f De aansluiting gebeurt d.m.v. de bijgeleverde toebehoren. f In de warmwaterleidingen dienen vernauwingen en regelingen die het debiet onder het minimum zouden kunnen beperken, te worden vermeden. f Vooraleer het toestel aan te sluiten, controleren of de waterfilter in de koudwateraansluiting van het toestel gemonteerd is. f Bij vorstgevaar moet de sanitaire kringloop leeggemaakt kunnen worden door middel van een, apart te voorzien, leegloopkraantje.
7.7.6 Expansievat De voordruk van het expansievat moet overeenkomen met de statische hoogte van de installatie. Door de druk in het expansievat, met behulp van het ventiel tot 0,5 bar te beperken, kan in bijzondere gevallen capaciteitsuitbreiding verkregen worden. Indien nodig moet een bijkomend vat geïnstalleerd worden op de retourleiding van de ketel. Steeds aan te raden bij vloerverwarming. 7.8 Gasaansluiting Gasleiding D e gasleiding moet binnenin volledig zuiver zijn. Indien nodig de leiding doorblazen. AARDGAS: De aardgasleidingen dienen gelegd te worden volgens de regels der kunst en de doormeter berekend volgens de norm NBN D 51-003. Bij installaties op aardgas moet men de bijgeleverde BGV gekeurde gasafsluitkraan 3/4’’ gebruiken en rechtstreeks met de losse moer aansluiten op de reductie 1” → 3/4” van de montageplaat.
Deze askraan bevindt zich in de verpakking van de montageplaat. g VLOEIBAAR GAS: De installaties op vloeibaar gas dienen strikt te beantwoorden aan de norm NBN D 51-006. De bijgeleverde verbindingsbuis met losse moer en dichting (3/4’’), rechtstreeks met deze losse moer aansluiten op de reductie 1” → 3/4” van de montageplaat. Deze verbindingsbuis bevindt zich in de verpakking van de montageplaat. aansluiting AARDGAS aansluiting VLOEIBAAR GAS reductie 1” → 3/4” van de montageplaat reductie 1” → 3/4” van de montageplaat Ï Ï Ï Ï Fig. 18 gasaansluiting Fig. 19 gasaansluiting De dichtheid van de gasaansluiting controleren met geopende gaskraan in overeenstemming met de norm NBN D 51-003. De dichtheidcontrole van de wateraansluiting dient eveneens te gebeuren met geopende waterkranen. 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 21
8. ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN Gevaar: Door elektrocutie. f Vooraleer werken uit te voeren moet de stroomtoevoer onderbroken worden. 8.1 Algemeen De voorschriften van de plaatselijke elektriciteitsmaatschappij en van het algemene reglement op de elektrische stallaties (A.R.E.I.), moeten strikt opgevolgd worden. in D e ketel is IPX 4 D-gekeurd. D e gasketels zijn volledig gekableerd en ontstoord. A ndere verbruikers mogen niet aftakken. D e ketel via de stekker aan een stopcontact met aarding aansluiten. D e voedingsspanning moet minimaal 200 V/AC en maximaal 250 V/AC bedragen. Indien de bedrading achter de ketel aangebracht werd, raden wij U aan deze bedrading minstens 50 cm uit de muur te laten steken. Zekeringen De ketel is beveiligd met 3 zekeringen. Deze bevinden zich op de printplaat. Vervangzekeringen bevinden zich op de achterkant van de afdekplaat (zie. fig. 21).
f De kabeldoorvoer afsnijden volgens de kabeldikte. De opening nooit groter maken dan de kabeldikte, zoniet is de ketel niet meer spatwaterbeveiligd. Fig. 22 8 .2.2 Verwarmingsregelingen of afstandsbedieningen aansluiten Sluit enkel de modulerende regelapparatuur van JUNKERS aan! Dan alleen verkrijgt U een optimaal rendement, een minimaal verbruik en de langste levensduur! R aadpleeg de montagevoorschriften van de regelaar voor de inbouw en voor de elektrische aansluiting. 1BUS-regelaar (FR 10, FR 100, FR 110, FW 100 & FW 200) 2printplaat van de gasketel De BUS-regelaars worden aangesloten aan de klemmen B & B. Oudere thermostaten (bvb. TR 21, TR 100, TR 200 enz.) worden aangesloten aan de klemmen 1, 2 en 4. Fig. 23 D e regelingen FW 100 en FW 200 kunnen ook direct vooraan in de Heatronic ingebouwd worden.
Belangrijke opmerking: Thermostatische radiatorkranen op alle radiatoren leiden tot een meerverbruik en verkorten de levensduur van de ketel. Wij raden U dus ten stelligste aan dergelijke installaties te vermijden. Daarom steeds een of meerdere radiatoren met gewone radiatorkranen uitrusten. Bij voorkeur de radiatoren in de pilootruimte (de ruimte waar de thermostaat geïnstalleerd is). 8 .2.3 Aansluiten van het buffervat SP 400 SHU De temperatuurvoeler TS3 van het buffervat aansluiten. f Doorvoer uitbreken. f Kabel doorvoeren. f Stekker rechtstreeks op de printplaat steken. Fig. 24 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 23
De solarmodule ISM 1 aansluiten. fTwee-aderige BUS-kabel aansluiten. fDrie-aderige netkabel aansluiten. Fig. 25 8.2.4 Aansluiten van een temperatuurbegrenzer TB 1 in een vloerverwarmingsinstallatie Bij verwarmingsinstallaties met enkel vloerverwarming en directe hydraulische aansluiting aan de gasketel, tot 15 kW kan men een TB rechtstreeks op de ketel aansluiten. Brug 8 – 9 verwijderen en de TB op deze plaats aansluiten. Bij het uitschakelen van de temperatuurbegrenzer worden de verwarming en de warmwaterbereiding onderbroken. Fig. 26 8.2.5 Circulatiepomp (SBL) aansluiten Met de servicefunctie 5.E de aansluiting NP – LP op 1 (circulatiepomp) instellen. De circulatiepomp wordt gestuurd door de Junkers-verwarmingsregelaar. Fig. 27 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 24
8.3 Externe toebehoren aansluiten 8 .3.1 Aansluiten van een extern buffervat Hiervoor hebt u het temperatuurvoeler SF 4 nodig. f Doorvoer uitbreken. f Kabel doorvoeren. f Stekker rechtstreeks op de printplaat steken. f Monteer de temperatuurvoeler SF 4 in het bovenste derde gedeelte van het buffervat. Fig. 28 8.3.2 Externe circulatiepomp (secundaire kring – 230 V/AC, max. 100 W) aansluiten Met de servicefunctie 5.E de aansluiting NP – LP op 2 (externe circulatiepomp in ongemengde kring) instellen. Bij de aansluiting aan NP – LP draait de circulatiepomp steeds bij verwarmings-bedrijf. Pompschakelkeuzes zijn niet mogelijk. Fig. 29 8.3.3 Externe drietraps circulatiepomp (primaire kring – 230 V/AC, max. 100 W) aansluiten De aansluiting LZ – NZ is zoals een ingebouwde verwarmingspomp geschakeld. Fig. 30 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 25
9.1 Voor de inbedrijfname Waarschuwing: Inbedrijfname zonder water leidt tot ernstige beschadiging van de gasketel. f Gasketel eerst vullen, vooraleer hem in bedrijf te nemen. f Voordruk van het expansievat controleren (druk instellen in overeenstemming met de statische hoogte van de installatie). f Open de vertrekkraan en de retourkraan van het buffervat (fig. 31 – 20 en 21). f Radiatorkranen opendraaien. f Afsluitkranen vertrek en retour CV (onder aan de ketel) opendraaien en installatie vullen tot 1,2 bar. Vul- en aftapkraan sluiten. f Radiatoren ontluchten. f Vul de verwarmingsinstallatie bij tot 1,2 bar. f Externe afsluitkraan koud water openen. Open dan een warmwateraftapkraan tot er water uitloopt. f Controleren of de gassoort overeenkomt met de gassoort op de identificatieklever. f Gaskraan openen.
9.2 Openen van het deksel fDruk op de markering (3 puntjes) om het deksel te openen. Fig. 32 9.3 Verwarmingswaterdruk controleren Voor het bijvullen eerst de vulset met water vullen. Dit voorkomt dat er lucht in de installatie komt. Opgelet: De ketel kan beschadigd worden. fVul enkel water bij wanneer de ketel koud is. fDe wijzer op de manometer (10) moet tussen de 1 en 1,5 bar staan. fStaat de wijzer onder de 1 bar (in koude toestand) dan moet u bijvullen totdat de wijzer weer tussen de 1 en 1,5 bar staat. Aanduiding op de manometer 0,6 bar Minimale vuldruk (bij koude installatie) 1,2 bar Optimale vuldruk 3 bar Maximale vuldruk De maximumdruk van 3 bar bij een hogere vertrektemperatuur mag niet overschreden worden. Anders opent het overdrukventiel. Fig.
33 Wanneer de verwarmingswaterdruk niet behouden blijft, moet de dichtheid van het expansievat en van de verwarmingsinstallatie gecontroleerd worden. 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 27
9.4 In-/Uitschakelen Inschakelen fHoofdschakelaar inschakelen. Het controlelampje brandt blauw en in het display verschijnt de vertrektemperatuur. De ketel wordt eenmalig ontlucht wanneer hij voor het eerst ingeschakeld wordt. De verwarmingspomp wordt in intervallen in- en uitgeschakeld zonder dat de ketel opspringt. Dit duurt ongeveer 4 minuten. In het display wordt afwisselend met de vertrektemperatuur weergegeven. fOpen de automatische ontluchter (23) sluit deze weer na het ontluchten. Fig. 34 Wanneer in het display in afwisseling met de vertrektemperatuur verschijnt, is het sifonvulprogramma in werking. Uitschakelen f Hoofdschakelaar uitschakelen. Het controlelampje dooft. f Let op de vorstbeveiliging (zie paragraaf 9.11) wanneer U de ketel voor langere tijd uitschakelt. 9.5 Verwarming inschakelen De vertrektemperatuur kan tussen 35 en 90°C ingesteld worden.
De vertrektemperatuur wordt in het display aangeduid. Let op de maximum toegelaten vertrektemperatuur bij vloerverwarming. f Temperatuurregelaar verwarming verdraaien, om de vertrektemperatuur van de verwarmingsinstallatie aan te passen. Fig. 35 Wanneer de brander in bedrijf is brandt het controlelampje groen. stand vertrektemperatuurregelaar vertrektemperatuur gebruik 1 ongeveer 35°C 2 ongeveer 43°C 3 ongeveer 50°C vloerverwarming 4 ongeveer 60°C 5 ongeveer 67°C 6 ongeveer 75°C verwarming met radiatoren max ongeveer 90°C verwarming met convectoren 9.6 Temperatuurregeling Raadpleeg de voorschriften van de regelapparatuur. Hierin vindt U hoe: fU de werking en de stookcurve van de weersafhankelijke regelaar kunt instellen, fU de kamerthermostaten kunt instellen, fU economisch kunt verwarmen en energie kunt besparen. Fig.
9. 7 Na de inbedrijfname f Controleer de gasaansluitdruk. f Controleer of er condensatiewater in de sifon loopt. Indien niet; de ketel uitschakelen en daar na opnieuw inschakelen. Hierdoor wordt het sifonvulprogramma opnieuw geactiveerd. Herhaal deze handeling tot er condensatiewater in de sifon loopt. 9. 8 Warmwatertemperatuur instellen fWarmwatertemperatuur met temperatuurinstelknop van de ketel instellen. De ingestelde temperatuur knippert gedurende 30 seconden in het display. temperatuurinstelknop warmwatertemperatuur min ongeveer 40°C e ongeveer 50°C max ongeveer 60°C Fig. 37 9. 9 Spaarfunctie instellen De basisinstelling is het comfortbedrijf, eco-toets brandt niet (fabrieksinstelling). D oor de eco-toets in te drukken en kort vast te houden kan u kiezen tussen het comfortbedrijf en de spaarfunctie.
z Comfortbedrijf Het warm water wordt regelmatig op de ingestelde temperatuur gehouden. Daardoor is de wachttijd bij warmwaterafname tot een minimum beperkt. - Met opgeladen buffervat De ketel gaat pas in werking wanneer de energie in het buffervat niet meer volstaat om het warm water op temperatuur te brengen. - Met niet opgeladen buffervat De ketel gaat regelmatig in werking om het warm water op temperatuur te brengen. Deze positie verhoogt het risico van verkalking en heeft een meerverbruik tot gevolg. z Spaarfunctie Het warm water wordt niet op temperatuur gehouden. Daardoor is de wachttijd bij warmwaterafname langer. - Met opgeladen buffervat De opwarming van het warm water tot de ingestelde temperatuur gebeurt pas wanneer het warm water geen 45°C meer is. Dit maakt een maximale energiebesparing mogelijk doordat het buffervat maximaal benut wordt.
- Met niet opgeladen buffervat Het warm water wordt op de ingestelde temperatuur gebracht bij warmwaterafname. z Met comfort op commando Deze stand is onafhankelijk van comfortbedrijf of spaarfunctie. Door kort openen en sluiten van de warmwaterkraan wordt het water tot de ingestelde temperatuur verwarmd.
Na korte tijd is er onmiddellijk warm water beschikbaar. - Met opgeladen buffervat De ketel gaat pas in werking wanneer de energie in het buffervat niet meer volstaat om het warm water op temperatuur te brengen. - Met niet opgeladen buffervat De ketel gaat in werking om het warm water op temperatuur te brengen. Dit ‘’comfort op commando’’ geeft extra warmwatercomfort met een minimaal gas- en waterverbruik en beperkt de kalkvorming. 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 29.
9. 10 Zomerbedrijf (alleen warm water) fNoteer de stand van de vertrektemperatuurregelaar. Draai de vertrektemperatuurregelaar volledig naar links in de stand. De verwarming is buiten werking. De warmwatervoorziening en de verzorging van de spanning voor de thermostaat blijven gehandhaafd. Fig. 38 Opgelet: Bevriezingsgevaar voor de verwarmingsinstallatie. 9. 11 Vorstbeveiliging van de verwarmingsinstallatie en van het buffervat fVerwarming in bedrijf laten met de temperatuurregelaar minstens in stand 1. fBij uitgeschakelde verwarming: Het CV-water bijvullen met het antivriesmiddel (zie hoofdstuk 7. 7). fLedig de warmwaterkring. Fig. 39 9. 12 Vergrendeling van de Heatronic Deze vergrendeling werkt voor de vertrektemperatuurregelaar CV, de temperatuurregelaar warm water en voor alle toetsen met uitzondering van de hoofdschakelaar en de schoorsteenvegertoets.
V ergrendeling activeren: fDruk op de toets tot in het display verschijnt. Vergrendeling uitschakelen: fDruk op de toets tot alleen de vertrektemperatuur in het display aangeduid wordt. Fig. 40 9. 13 Storingen Een overzicht van eventuele storingen vindt U in de tabel op blz. 54 - 56. Een overzicht van aanduidingen in het display vindt U op blz. 52. De Heatronic bewaakt alle veiligheids-, regel-, en besturingsorganen. Wanneer tijdens de werking een storing optreedt, weerklinkt en waarschuwingssignaal en knippert de werkingscontrolelamp. Door op gelijk welke toets te drukken, stopt U het waarschuwingssignaal. In het display wordt een storing weergegeven en de reset-toets kan knipperen. Wanneer de reset-toets knippert: f Druk op de reset-toets en houd deze vast tot in het display wordt weergegeven. De ketel treedt weer in werking en de vertrektemperatuur wordt weergegeven.
9.14 Pompblokkeringsbeveiliging Deze regeling verhindert het vastzitten van de pomp na een lange stilstandperiode. Iedere uitschakeling van de circulatiepomp wordt gevolgd door een tijdmeting, om na 24 uur de pomp kortstondig te laten draaien. Let op: de ketel moet elektrisch ingeschakeld blijven. 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 31
10. HEATRONIC INSTELLINGEN 10.1 Bediening van Heatronic De Heatronic-module maakt een comfortabele instelling mogelijk, tevens kunnen de installateur en/of de dienst na verkoop van JUNKERS veel toestelfuncties controleren. De beschrijving beperkt zich tot de noodzakelijke functies bij e inbedrijfname. d O verzicht van het bedieningspaneel schoorsteenvegertoets 1servicetoets 2display 34eco-toets, servicefuncties ‘’naar boven’’ 5vergrendelingstoets, servicefuncties ‘’naar beneden’’ Fig. 41 Servicefunctie kiezen De servicefuncties zijn onderverdeeld in twee niveaus: - Niveau 1 omvat de servicefuncties tot 0.C - Niveau 2 omvat de servicefuncties vanaf 8.A. f Servicetoets indrukken en ingedrukt houden, tot hij oplicht. In het display verschijnt bvb. 1.A. f Eco-toets en vergrendelingstoets gelijktijdig indrukken tot bvb. 8.A verschijnt (tweede serviceniveau).
f Vergrendelingstoets of eco-toets indrukken tot de gewenste servicefunctie verschijnt. f Om toegang te krijgen tot de servicefuncties dient men de schoorsteenvegertoets in te drukken en los te laten. De schoorsteenvegertoets licht op en het display toont de code van de gekozen servicefunctie. Waarde instellen Vergrendelingstoets of eco-toets indrukken tot de gewenste waarde verschijnt. f Waarde vastleggen f Schoorsteenvegertoets indrukken tot in het display verschijnt. Indien gedurende 15 minuten geen enkele toets ingedrukt werd, wordt het serviceniveau automatisch verlaten. Serviceniveau verlaten zonder waarden vast te leggen f Schoorsteenvegertoets kort indrukken. De schoorsteenvegertoets dooft. Waarden resetten naar de basisinstelling Kies de servicefunctie 8.E en leg de waarde 00 vast. De ketel start nu met zijn basisinstelling. 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 32
servicefuncties van niveau 2 (eco-toets en vergrendelingstoets gelijktijdig indrukken tot bvb. 8.A verschijnt) servicefunctie in display omschrijving bladzijde 8.A versie van de software 40 8.b nummer codeerstekker 40 8.C versie GFA (microprocessor) 40 8.d storing GFA (microprocessor) 40 8.E Heatronic 3 resetten naar de basisinstelling 40 8.F continu ontsteking 40 9.A continu bedrijfsstand 40 9.b actueel toerental extractor 40 9.C actueel verwarmingsvermogen 40 9.d starttoerental 1 instellen 40 9.E vertraging signaal turbine 41 9.F nalooptijd circulatiepomp 41 C.d actuele warmtevraag 41 d.a temperatuur in het buffervat 41 10.3 Serviceniveau 1 10.3.1 Verwarmingsvermogen instellen (servicefunctie 1.A) Het verwarmingsvermogen kan tussen min. nominaal warmtevermogen en max. nominaal warmtevermogen op de specifieke warmtebehoefte worden begrensd.
Ook bij een begrensd verwarmingsvermogen is bij het bereiden van warm water het max. nominale warmtevermogen beschikbaar. De fabrieksinstelling is het max. nominale warmtevermogen. type ketel aanduiding in het display CSW 30-3 72 f Kies de servicefunctie 1.A. f Bereken (in %) het vereiste CV-vermogen ten opzichte van het maximum sanitair vermogen. f Programmeer dit getal in de servicefunctie 1.A en leg het vast. Verlaat de servicefuncties. Het display toont opnieuw de vertrektemperatuur. f 10.3.2 Vermogen warmwaterbereiding instellen (servicefunctie 1.b) Het vermogen voor de warmwaterbereiding kan tussen min. nominaal warmtevermogen en max. nominaal warmtevermogen op het overdrachtvermogen van de boiler ingesteld worden. D e fabrieksinstelling is het max. nominale warmtevermogen warm water. U0. f Kies de servicefunctie 1.b.
f Bereken (in %) het vereiste sanitair vermogen ten opzichte van het maximum sanitair vermogen. f Programmeer dit getal in de servicefunctie 1.b en leg het vast. Verlaat de servicefuncties. Het display toont opnieuw de vertrektemperatuur. f 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 34
10.3.3 Pompkarakteristiek (servicefunctie 1.C) De pompkarakteristiek geeft aan hoe de pomp in de verwarmingsfunctie geregeld wordt. De pomp schakelt daarbij zo tussen de verschillende pompstanden dat de gekozen curve wordt aangehouden. Een verandering van de karakteristiek is zinvol wanneer een kleinere restopvoerhoogte voldoende is voor het verzeke-en van de vereiste hoeveelheid circulatiewater. r Kies een lage curve wanneer u zo veel mogelijk energie wil besparen en eventuele stromingsgeluiden wil beperken. U kunt de pompkarakteristiek kiezen tussen: z 0 Pompstand instelbaar, servicefunctie 1.d (zie paragraaf 10.3.4) z 1 Constante druk hoog z 2 Constante druk middel z 3 Constante druk laag z 4 Proportionele druk hoog z 5 Proportionele druk laag. De fabrieksinstelling is: 4 (proportionele druk hoog). Fig. 42 constante druk gasketel met buffervat SP 400 SHU en aansluitset Nr. 1463 Fig.
10.3.4 Stand intelligente circulatiepomp (servicefunctie 1.d) Deze servicefunctie komt overeen met de tot dusver gebruikelijke functie ‘’Pompopvoerhoogteschakelaar’’. De stand van de pomp is alleen actief wanneer bij de pompkarakteristiek (servicefunctie 1.C) 0 is gekozen. Fabrieksinstelling is: 7. Fig. 46 stand intelligentie circulatiepomp gasketel met buffervat SP 400 SHU en aansluitset Nr. 1463 Fig. 47 stand intelligentie circulatiepomp gasketel zonder buffervat noch aansluitbuizen 1 - 8 karakteristieken H restopvoerhoogte V hoeveelheid circulatiewater 10.3.5 Maximum vertrektemperatuur instellen (servicefunctie 2.b) De maximale vertrektemperatuur kan tussen 35 en 88°C ingesteld worden. De fabrieksinstelling is 88. 1 0.3.6 Ontluchtingsfunctie (servicefunctie 2.C) Wanneer U het toestel voor het eerst inschakelt, wordt de ontluchtingsfunctie eenmalig uitgevoerd.
De verwarmingspomp wordt in intervallen in- en uitgeschakeld. Dit duurt ongeveer 4 minuten. In het display wordt afwisselend en de vertrektemperatuur weergegeven. Na onderhoudswerkzaamheden kan de ontluchtingsfunctie ingeschakeld worden. Mogelijke instellingen: • 00 de ontluchtingsfunctie is uitgeschakeld, • 01 de ontluchtingsfunctie is ingeschakeld en wordt na afloop automatisch op 00 teruggezet, • 02 de ontluchtingsfunctie is continu ingeschakeld en wordt niet automatisch op 00 teruggezet. De fabrieksinstelling is 01. 10.3.7 Servicefunctie 2.d, niet van toepassing Mogelijke instellingen: • 00 de thermische desinfectie is uitgeschakeld • 01 de thermische desinfectie is ingeschakeld De fabrieksinstelling is 00 (thermische desinfectie uitgeschakeld). 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 36
10. 3. 8 Bedrijfsstand (servicefunctie 2. F) Met deze functie kunt u de werking van de ketel tijdelijk veranderen. Mogelijke instellingen: • 00 normale werking: de ketel werkt volgens de verwarmingsregelaar. • 01 de ketel werkt gedurende 15 minuten met minimaal vermogen. • 02 de ketel werkt gedurende 15 minuten met maximaal vermogen. Bij het verlaten van deze servicefunctie wordt de waarde 00 automatisch opgeslagen. 1 0. 3. 9 Automatisch antipendelprogramma (servicefunctie 3. A) Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen. Met servicefunctie 3. A kan de automatische aanpassing van het antipendelprogramma uitgeschakeld worden. Dit kan noodzakelijk zijn bij een verwarmingsinstallatie met ongunstige dimensionering.
Wanneer de aanpassing van het antipendelprogramma uitgeschakeld is, moet het antipendelprogramma met servicefunctie 3. b worden ingesteld. Mogelijke instellingen: • 00 uitgeschakeld • 01 ingeschakeld De fabrieksinstelling is 00 (uitgeschakeld). 10. 3. 10 Instellen van de antipendelblokkering (servicefunctie 3. b) D eze servicefunctie is alleen actief wanneer servicefunctie 3. A (automatisch antipendelprogramma) uitgeschakeld is. Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen. Op het schakelpaneel kan het antipendelprogramma individueel tussen 00 en 15 (0 en 15 minuten) ingesteld worden. De fabrieksinstelling is 03 (3 minuten). Bij 00 is het antipendelprogramma uitgeschakeld. De kortste schakeltijd bedraagt 1 minuut (aan te raden bij éénpijpsystemen en luchtverwarming). 10. 3.
11 Schakeldifferentieel (servicefunctie 3. C) D eze servicefunctie is alleen actief wanneer servicefunctie 3. A (automatisch antipendelprogramma) uitgeschakeld is. Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig.
Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen. Het schakeldifferentieel is de toegestane afwijking van de gevraagde vertrektemperatuur. Het schakeldifferentieel kan met stappen van 1 K ingesteld worden. De minimale vertrektemperatuur is 35°C. Het instelbereik ligt tussen 00 en 30 (0 en 30 K). De fabrieksinstelling is 10 (10 K). 10. 3. 12 Minimumvermogen verwarming en warm water (servicefunctie 3. d) Het CV- en het warmwatervermogen kunnen in procenten op iedere willekeurige waarde tussen minimaal nominaal vermogen en maximaal nominaal vermogen worden ingesteld. De instelling gebeurt zoals bij servicefunctie 1. A. De fabrieksinstelling is 33. 10. 3. 13 Schakeltijd warm houden sanitair warm water (servicefunctie 3. E) Deze servicefunctie werkt alleen in comfortbedrijf.
Deze bepaalt na het voorverwarmen of bij warmtevraag sanitair de tijd, die tot aan de volgende opwarming van de platenwarmtewisselaar verloopt. Daarmee wordt een te sterke opwarming van de platenwarmtewisselaar voorkomen. De schakeltijd kan van 20 tot 60 (20 tot 60 minuten) worden ingesteld. De fabrieksinstelling is 20 (20 minuten). 10. 3. 14 Tijdsduur warmhoudfunctie (servicefunctie 3. F) De duur van het warm houden geeft aan, hoe lang het CV-bedrijf na een warmwaterafname geblokkeerd blijft. De duur van het warm houden kan van 00 tot 30 (0 tot 30 minuten) worden ingesteld. De fabrieksinstelling is 02 (2 minuten). 10. 3. 15 Maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar (servicefunctie 4. b) De maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar kan tussen 40 en 65 (40 tot 65°C) worden ingesteld. D e fabrieksinstelling is 60 (60°C). 6 720 643 626 (2010/05 BL-NL) 37.
10. 3. 16 Waarschuwingssignaal (servicefunctie 4. d) Bij een storing weerklinkt een waarschuwingssignaal. Met de servicefunctie 4. d kan dit signaal uitgeschakeld worden. De fabrieksinstelling is 01 (ingeschakeld). 10. 3. 17 Sifonvulprogramma (servicefunctie 4. F) Het sifonvulprogramma waarborgt, dat de condenswatersifon na het installeren of een langere stilstandperiode gevuld wordt. Het sifonvulprogramma wordt geactiveerd wanneer: z de hoofdschakelaar ingeschakeld wordt, z er minstens 28 dagen geen warmtevraag geweest is, z van zomer- op winterbedrijf of omgekeerd geschakeld wordt. Na de eerste warmtevraag voor verwarming of warm water wordt het toestel 15 minuten lang op het minimale vermogen gehouden. Het sifonvulprogramma blijft zo lang in bedrijf, totdat de 15 minuten op klein vermogen bereikt is. In het display verschijnt in afwisseling met de vertrektemperatuur.
De fabrieksinstelling is 01 (sifonvulprogramma in werking met minimaal vermogen). Instelling 02: sifonvulprogramma in werking met minimaal geprogrammeerd vermogen. I nstelling 00: sifonvulprogramma is uitgeschakeld. Waarschuwing: Bij een niet gevulde condenswatersifon kunnen er rookgassen uit de sifon treden. f Het sifonvulprogramma mag alleen tijdens de onderhoudswerkzaamheden uitgeschakeld worden. f Het sifonvulprogramma moet, na het beëindigen van het onderhoud, opnieuw ingeschakeld worden. 10. 3. 18 Onderhoudsinterval resetten (servicefunctie 5. A) Met deze servicefunctie kan men de aanduiding in het display resetten. De instelling is 00. 10. 3. 19 Nalooptijd extractor (servicefunctie 5. b) De nalooptijd kan van 01 tot 18 (10 tot 180 seconden) ingesteld worden. De fabrieksinstelling is 03 (30 seconden). 10. 3. 20 Servicefunctie 5. C – geen functie 10. 3.
Mogelijke instellingen: z 00 uitgeschakeld z 01 sanitaire circulatiepomp (gestuurd door de regelaar) z 02 externe verwarmingspomp in de ongemengde verbruikerskring (voorbij de evenwichtsfles) De fabrieksinstelling is 00. 10. 3. 22 Onderhoudsbeurt weergeven (servicefunctie 5. F) Met deze servicefunctie kan men het aantal maanden instellen tot de volgende onderhoudsbeurt. Daarna wordt in het display de aanduiding (inspectie) afwisselend met de vertrektemperatuur getoond. Het aantal maanden is van 00 tot 72 instelbaar. De fabrieksinstelling is 00 (niet actief). Wanneer U0 in het display verschijnt, werd die servicefunctie reeds aan de regelaar ingesteld. 10. 3. 23 Laatste storing oproepen (servicefunctie 6. A) Met deze servicefunctie kan men de laatste storing oproepen die in het geheugen bewaard is. Bij 00 wordt deze servicefunctie gereset. 10. 3.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Junkers CSW 30-3 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Verwarmingsketel Junkers
Handleiding Verwarmingsketel
Nieuwste handleidingen voor Verwarmingsketel