Junkers 28-3 CE ZWB Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Junkers 28-3 CE ZWB (60 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarmingsketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 88 mensen. Heb je een vraag over Junkers 28-3 CE ZWB of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/60
Technische en praktische voorschriften
N
TOP 14-3 CE ZSB
TOP 22-3 CE ZSB
TOP 22/28-3 CE ZWB
CerapurSmart A
condensatieketels met gestuwde afvoer
Een onberispelijke werking kan slechts dan gewaarborgd
worden, wanneer de technische voorschriften strikt opge-
volgd worden. Wijzigingen voorbehouden.
Wij verzoeken U deze voorschriften aandachtig te lezen
en ze aan de gebruiker te overhandigen.
Deze laatste
dient ze zorgvuldig te bewaren.
DE INSTALLATIE, DE INBEDRIJFSTELLING, HET
ONDERHOUD EN DE NAVERKOOPSERVICE MOETEN
DOOR EEN ERKENDE INSTALLATEUR GEBEUREN.
Deze gaswandketels dragen het keurmerk:
cat. I2E(S)(aardgas)
cat. I3+(vloeibaar gas)
Bosch Thermotechnology nv/sa
Kontichsesteenweg 60
2630 AARTSELAAR
TEL: 03 887 20 60
FAX: 03 877 01 29
Deutsche Fassung auf Anfrage erhältlich
6 720 805 200(2013/06BL-NL)

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Junkers
Categorie: Verwarmingsketel
Model: 28-3 CE ZWB

Handleiding Junkers 28-3 CE ZWB – volledige tekst

Technische en praktische voorschriften N TOP 14-3 CE ZSB TOP 22-3 CE ZSB TOP 22/28-3 CE ZWB CerapurSmart A condensatieketels met gestuwde afvoer Een onberispelijke werking kan slechts dan gewaarborgd worden, wanneer de technische voorschriften strikt opge-volgd worden. Wijzigingen voorbehouden. Wij verzoeken U deze voorschriften aandachtig te lezen en ze aan de gebruiker te overhandigen. Deze laatste dient ze zorgvuldig te bewaren. DE INSTALLATIE, DE INBEDRIJFSTELLING, HET ONDERHOUD EN DE NAVERKOOPSERVICE MOETEN DOOR EEN ERKENDE INSTALLATEUR GEBEUREN. Deze gaswandketels dragen het keurmerk: cat. I2E(S) (aardgas) cat. I3+ (vloeibaar gas) Bosch Thermotechnology nv/sa Kontichsesteenweg 60 2630 AARTSELAAR TEL: 03 887 20 60 FAX: 03 877 01 29 Deutsche Fassung auf Anfrage erhältlich 6 720 805 200 (2013/06 BL-NL)

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN EN VERKLARING VAN DE SYMBOLEN 4 BESCHRIJVING VAN DE KETELS 5 AANSLUITINGEN EN AFMETINGEN 6 VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING 7 TECHNISCHE GEGEVENS KETELS OP AARDGAS 8 TECHNISCHE GEGEVENS KETELS OP VLOEIBAAR GAS 9 OPBOUW & ELEKTRISCHE SCHEMA’S 10 INSTALLATIE 15 - algemeen 15 - belangrijk 15 - installatie in een kast 15 - montageplaat 16 - bevestiging van de ketel 17 - aansluiting van de rookgasafvoer 19 - hydraulische aansluiting 20 - gasaansluiting 21 ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN 22 - algemeen 22 - toebehoren aansluiten 22 - Heatronic openen 22 - verwarmingsregelingen of afstandsbedieningen aansluiten 23 - aansluiten aan een indirect gestookte boiler met NTC-sensor aan de ketels TOP 14-3 CE ZSB & TOP 22-3 CE ZSB 23 - aansluiten van een temperatuurbegrenzer TB 1 in een vloerverwarmingsinstallatie 23 INBEDRIJFNAME 24 - voor de inbedrijfname 24 - openen van het deksel 25 - verwarmingswaterdruk controleren 25 - in-/uitschakelen 25 - verwarming inschakelen 26 - temperatuurregeling 26 - na de inbedrijfname 26 - ketels TOP 14-3 CE ZSB & TOP 22-3 CE ZSB met boiler Storacell: warmwatertemperatuur instellen 26 - ketels TOP 22/28-3 CE ZWB: warmwatertemperatuur instellen 27 - zomerbedrijf (alleen warm water) 27 - vorstbeveiliging 28 - vorstbeveiliging van de verwarmingsinstallatie 28 - vorstbeveiliging van de boiler 28 - vergrendeling van de Heatronic 28 - thermische desinfectie 29 - pompblokkeringsbeveiliging 29

INDIVIDUELE INSTELLING 30 - manuele instellingen 30 - grootte van het expansievat controleren 30 HEATRONIC INSTELLINGEN 31 - bediening van Heatronic 31 - overzicht van de servicefuncties 32 - serviceniveau 1 33 - serviceniveau 2 39 - tips voor energiebesparing 41 GASREGELING 41 ONDERRICHTINGEN 42 - nota voor de installateur 42 - nota voor de gebruiker 42 - controle van de ketel 42 - reinigen van de mantel 42 CONTROLE EN ONDERHOUD 43 - belangrijke opmerkingen 43 - wisselstukken en smeermiddelen 43 - na controle en onderhoud 43 - checklist voor het onderhoud 44 - schoorsteenvegertoets 44 - verseluchttoevoer / rookgasafvoermetingen met een ingesteld verwarmingsvermogen 44 - O2- of CO2-metingen in de verseluchttoevoer 45 - CO- en CO2-waarde in rookgas meten 45 - laatste foutmelding oproepen 45 - filter in de koudwatertoevoer (enkel voor ketel ZWB) 45 - platenwarmtewisselaar (enkel voor ketel ZWB) 46 - warmtewisselaar, brander en elektroden 46 - condenswatersifon reinigen 49 - membraan in de mengkamer 49 - overdrukventiel 49 - expansievat controleren 50 - verwarmingswaterdruk controleren 50 - elektrische bedrading 50 - sanitaire warmwaterleiding (enkel bij ZWB) 50 AANDUIDINGEN IN HET DISPLAY VAN DE KETEL 51 STORINGEN 52 NUTTIGE INLICHTINGEN 57 BELANGRIJKE NOTA’S 58 WAARBORG 58 SERVICEDIENST (met techniekers uit Uw regio) 60

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 4 1. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN EN VERKLARING VAN DE SYMBOLEN 1. 1 Veiligheidsvoorschriften Bij gasgeur  Gaskraan dichtdraaien.  Vensters en deuren openen.  Geen elektrische schakelaars bedienen.  Alle open vuur doven.  Van op een andere plaats naar de gasmaatschappij, Uw installateur of JUNKERS telefoneren. Bij geur van verbrande gassen  Doof de gasketel.  Vensters en deuren openen.  Verwittig uw installateur of JUNKERS. Montage, wijzigingen  Dit toestel dient door een bevoegde installateur te worden geplaatst. Hij dient zich te houden aan de geldende nationale en plaatselijke voorschriften. In geval van twijfel dient hij zich te informeren bij de officiële instanties of bij Bosch Thermotechnology nv.  De rookgasbuizen mogen niet gewijzigd worden.  De verluchtingsopeningen mogen niet afgesloten of beperkt worden.

Onderhoud  Het onderhoud van de gasketel mag enkel door een erkend installateur gedaan worden.  De installateur moet, op regelmatige tijdstippen, de gasketel onderhouden en controleren.  Een jaarlijkse onderhoudsbeurt is aanbevolen (zie ook regionale reglementering ter zake).  Er mogen enkel originele wisselstukken gebruikt worden. Explosieve en licht ontvlambare stoffen  Gebruik of bewaar geen ontvlambare stoffen (papier, oplosmiddelen, verf) in de nabijheid van de gasketel. Verbrandingslucht en omgevingslucht  Om corrosie te vermijden mag de verbrandingslucht geen agressieve dampen bevatten (bv. halogeen-koolwaterstoffen die chloor of fluor bevatten). Onderrichtingen voor de gebruiker  De gebruiker op de hoogte brengen van de bediening en de werking van de gasketel.  De gebruiker verwittigen dat hij geen enkele wijziging noch herstelling zelf mag uitvoeren.

 De gasketel werd niet ontworpen voor gebruik door personen (kinderen inbegrepen) met verminderde mentale en/of fysieke mogelijkheden of met een gebrek aan ervaring of kennis, tenzij bevoegde en verantwoorde personen hen de nodige instructies over het gebruik van de gasketel meegaven. Waak erover dat kinderen niet met de gasketel spelen.  Reinig de mantel van het toestel met een vochtig doek. 1. 2 Verklaring van de symbolen Veiligheidsaanwijzingen in de tekst worden door middel van een grijs vlak en een gevarendriehoek aangeduid. Bij gevaar door elektriciteit wordt dit in de tekst worden door middel van een grijs vlak en een driehoek met bliksem aangeduid. Signaalwoorden geven de ernst aan van het risico als men zich niet houdt aan de maatregelen tot schadebeperking. • Verwijzing betekent dat er mogelijk lichte materiële schade kan optreden.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 5 2. BESCHRIJVING VAN DE KETELS Condensatie-gaswandketels met elektronische ontsteking, ionisatiebeveiliging, gestuwde afvoer, en modulerende werking. Uitgerust met oververhittingbeveiliging. Type TOP 22/28-3 CE ZWB met warmwaterbereiding. De types TOP 14-3 CE ZSB en TOP 22-3 CE ZSB zijn geschikt voor aansluiting aan een indirect verwarmde Storacell-boiler. Technische benamingen: ZSB 14-3 CE 23 S 3600 (aardgas) ZSB 22-3 CE 23 S 3600 (aardgas) ZWB 22/28-3 CE 23 S 3600 (aardgas) Commerciële benamingen: TOP 14-3 CE ZSB CerapurSmart A TOP 22-3 CE ZSB CerapurSmart A TOP 22/28-3 CE ZWB CerapurSmart A Algemene informatie Deze ketel aan de hand van de volgende richtlijnen zorgvuldig installeren. Type afvoer: C13, C33, C43, C53, C83, C93, B23. De ketels op aardgas dragen het HR - TOP keurmerk.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 15 7. INSTALLATIE Gevaar: Voor explosies!  De gaskraan sluiten vooraleer werken aan gasvoerende delen uit te voeren.  Doe een dichtheidscontrole na werken aan gasvoerende delen. Algemeen Deze ketel dient door een bevoegde installateur te worden geplaatst. Hij dient zich te houden aan de geldende nationale en plaatselijke voorschriften. In geval van twijfel dient hij zich te informeren bij de officiële instanties of bij Bosch Thermotechnology nv. 7.1 Belangrijk De ketel waterpas hangen. Let erop de volgende minimumafstanden te voorzien: • tussen ketel en plafond 30 cm • onder de ketel minimum 30 cm • rondom de ketel 10 cm De ketel moet in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden. Om corrosie te vermijden mag de verse lucht voor de ketel geen agressieve dampen bevatten.

Ketels op vloeibaar gas: aangezien vloeibaar gas zwaarder is dan lucht, moeten deze ketels en de leidingen steeds in ruimten met een benedenverluchting boven de begane grond, geplaatst worden. De ketel moet in overeenstemming met de voorschriften van het A.R.E.I. geïnstalleerd worden. De ketel is IPX 4 D gekeurd. In geen geval de ketel tegen een wand uit brandbaar materiaal plaatsen. Brandbare stoffen moeten vuurwerend bekleed worden. De maximale omgevingstemperatuur van de installatieruimte bedraagt 50°C. De maximale temperatuur van de buitenmantel ligt onder de 85°C, zodat er behalve voor omkastingen (zie fig. 6) geen speciale voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden. 7.2 Installatie in een kast Voorzie minimumafstanden van 10 cm rondom de ketel, 30 cm tot het plafond en 30 cm onder de ketel. Fig. 6

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 16 7.3 Montageplaat Bij de gasketel hoort deze afzonderlijk verpakte en eventueel vooraf leverbare montageplaat waarmee de leidingen reeds kunnen gemonteerd worden zonder de ketel. De verbinding tussen gasketel en montageplaat gebeurt met vijf dichtingen. Deze zijn opgehangen aan de onderkant van de gasketel. De afsluitkranen vergemakkelijken in belangrijke mate de eventuele demontage van de ketel. U dient de volledige set te gebruiken. Montageplaten propaan: Deze montageplaten zijn bijna dezelfde als deze voor aardgas. Alleen is de gaskraan hier vervangen door een verbindingsbuis 3/4’’ met losse moer en dichting. Fig. 7 Montageplaat (aardgas = nr. 7 719 002 134, propaan = nr.

3 119 001 823) 1 CV-afsluitkraan 3/4” (vertrek) 6 CV-afsluitkraan 3/4” (retour) 2 nippel 1/2” (sanitair warm water) 7 verbindingsbuis propaan 3 reductie 1” → 3/4” (gasaansluiting) 8 bevestigingsset 4 aardgaskraan 3/4” 13 montageplaat 5 sanitaire afsluitkraan 1/2” (sanitair koud water) CV-afsluitkranen 3/4’’ sanitaire afsluitkraan 1/2’’ aardgaskraan 3/4’’ verbindingsbuis 3/4’’ voor propaan Fig. 8 gesloten geopend gesloten geopend gesloten geopend Fig. 9 Opmerking Wanneer de ketels TOP 14-3 of TOP 22-3 CE ZSB niet aan een boiler aangesloten worden, dan moeten de aansluitingen 2 en 5 (fig. 9) afgesloten worden. U kunt hiervoor het toebehoren N° 304 (bestelnummer 7 709 000 227) gebruiken.  aardgas  propaan 

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 17 7.4 Bevestiging van de ketel Opgelet: Vuil in het cv-circuit kan de ketel beschadigen.  Spoel het cv-circuit om dit vuil te verwijderen.  Verwijder de verpakking van ketel en montageplaat.  Controleer de gassoort op het kenplaatje van de ketel. Mantel demonteren (Fig. 10) De mantel is met 2 borgschroeven beveiligd tegen openen door onbevoegden.  De mantel steeds met deze schroeven beveiligen.  Schroeven losdraaien (1).  Mantel opheffen (2) en naar boven toe wegnemen. Fig. 10 Fig. 11 Bevestiging voorbereiden  Pluggen monteren.  Dichtingen op de nippels van de montageplaat leggen. Ketel bevestigen (fig. 11)  Leg de dichtingen op de aansluitingen van de montageplaat.  Zet de ketel op de voorbereide aansluitingen en bevestig hem met de twee wandhaken (1).  Draai de moeren op de aansluitingen van de montageplaat vast.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 18 Condensafvoer monteren (toebehoren nr. 432 - fig. 13) (bestelnummer 7 719 000 763 - niet meegeleverd)  Vervaardig de condensafvoer uit corrosiebestendige materialen zoals: harde PVC buizen, PVC buizen, PE-HD buizen, PP buizen, ABS/ASA buizen, gietijzeren buizen met geëmailleerde binnenzijde, stalen buizen met kunst-stoflaag, roestvrijstalen buizen, enz. Opgelet:  De condensafvoer niet wijzigen of afsluiten.  Afvoerslangen enkel afhellend monteren.  Bij montage van een externe sifon, de flexibel van de condensafvoer met een zichtbare opening aan deze sifon aansluiten. Fig. 13 Afdekklep monteren  Plaats de rubbers (1) en (2) onder aan het bedie-ningspaneel. Het rubber (2) moet losjes zitten.  De stift (3) aan de klep rechts in het rubber (2) steken.  Open de afdekklep (4) en beide rubbers juist onder het bedieningspaneel uitlijnen.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 19 7.5 Aansluiting van de rookgasafvoer Bij de gesloten toestellen mogen enkel de afvoersystemen - aangeboden en geleverd door de fabrikant van de toestellen - gebruikt worden. Zij vormen één geheel bij de keuring van de toestellen. Bij het collectieve (CLV) systeem wordt de dubbelwandige CLV-koker door de fabrikant van het systeem geleverd. De verbinding tussen toestellen en CLV-systeem moet ook door de fabrikant van de toestellen geleverd worden. Raadpleeg onze brochure ‘‘afvoersystemen HR TOP’‘ voor de montage. Voor de parallelle aansluiting, raden wij U aan onze servicedienst te raadplegen. Raadpleeg de normen NBN D 51-003, NBN B 61-002 en NBN D 51-006 voor meer informatie en andere toepassingen. Rookgasbuis aansluiten Fig. 16 horizontale aansluiting ∅ 60/100 mm Fig. 17 verticale aansluiting ∅ 60/100 mm Fig.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 20 7. 6 Hydraulische aansluiting Bij installaties met kunststofbuizen moeten alle aansluitingen van de ketel (verwarming en sanitair) over een afstand van minimum 1,5 m in metalen buizen (bvb. koper of ijzer) uitgevoerd worden. Opgelet: Indien het toestel op een net met zeer kalkhoudend water aangesloten wordt en het tevens veel gebruikt wordt, is het aan te bevelen een waterbehandeling te voorzien. 7. 6. 1 Aansluiting verwarming De doormeter van de leidingen dient te worden berekend volgens de behoeften van de ketel en van de installatie. De installatie moet voor de plaatsing van de ketel worden doorgespoeld.

Beschermproducten: Product Fabrikant Protector Copal Fernox Sentinel X 100 Betz Dearborn Vorstwerende middelen: Product Fabrikant Protector Alphi 11 Fernox Varidos FSK Schilling Chemie Reinigingsproducten: Product Fabrikant Restorer IC 20 (Superfloc Universal cleaner) Fernox Acitol-L Schilling Chemie Let op: De door de fabrikant voorgeschreven concentraties niet overschrijden. Dichtingproducten, om kleine lekken in de installatie tegen te gaan, mogen onder geen enkele voorwaarde in de ketel terechtkomen. De hierdoor ontstane schade valt buiten de waarborgvoorwaarden. 7. 6. 2 Aansluiting sanitair (enkel voor de ketels ZWB) In overeenstemming met de norm NBN EN 1717 en Belgaqua, moet in de koudwateraansluiting een veiligheidsgroep 1/2’’ van 7 bar gemonteerd worden. Deze veiligheidsgroep mag ook op afstand worden geplaatst, maar wel voorbij de aftakking naar een andere koudwaterleiding.

Voorzie tevens een afvoer voor het overtollige water. Opgelet: Om de goede werking te controleren, éénmaal per maand de kraan en de klep van de veiligheidsgroep bedienen. Kalkafzetting kan de goede werking belemmeren.  Bij een koudwaterdruk hoger dan 5 bar, is het aan te raden een drukverminderaar van 3 bar voor de hele installatie te plaatsen.

Hierdoor wordt vermeden dat de veiligheidsgroep te veel water loost en wordt de warmwatertemperatuur aan de mengkranen stabieler.  De aansluiting gebeurt d. m. v. de bijgeleverde toebehoren.  In de warmwaterleidingen dienen vernauwingen en regelingen die het debiet onder het minimum zouden kunnen beperken, te worden vermeden.  Vooraleer het toestel aan te sluiten, controleren of de waterfilter in de koudwateraansluiting van het toestel gemonteerd is.  Bij vorstgevaar moet de sanitaire kringloop leeggemaakt kunnen worden door middel van een, apart te voorzien, leegloopkraantje. 7. 6. 3 Vullen en ledigen Op het laagste punt van de installatie een vul- en aftapkraan voorzien. Respecteer de voorschriften van de water-bedelingsmaatschappij. 7. 6. 4 Overdrukventiel verwarming Dit is in de ketel ingebouwd. 7. 6.

5 Expansievat De voordruk van het expansievat moet overeenkomen met de statische hoogte van de installatie. Door de druk in het expansievat, met behulp van het ventiel tot 0,5 bar te beperken, kan in bijzondere gevallen capaciteitsuitbreiding verkregen worden. Indien nodig moet een bijkomend vat geïnstalleerd worden op de retour-leiding van de ketel. Steeds aan te raden bij vloerverwarming.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 21 7.7 Gasaansluiting Gasleiding De gasleiding moet binnenin volledig zuiver zijn. Indien nodig de leiding doorblazen. AARDGAS: De aardgasleidingen dienen gelegd te worden volgens de regels der kunst en de doormeter berekend volgens de norm NBN D 51-003. Bij installaties op aardgas moet men de bijgeleverde BGV gekeurde gasafsluitkraan 3/4’’ gebruiken en rechtstreeks met de losse moer aansluiten op de reductie 1” → 3/4” van de montageplaat. Deze gaskraan bevindt zich in de verpakking van de montageplaat. VLOEIBAAR GAS: De installaties op vloeibaar gas dienen strikt te beantwoorden aan de norm NBN D 51-006. De bijgeleverde verbindingsbuis met losse moer en dichting (3/4’’), rechtstreeks met deze losse moer aansluiten op de reductie 1” → 3/4” van de montageplaat. Deze verbindingsbuis bevindt zich in de verpakking van de montageplaat.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 22 8. ELEKTRISCHE AANSLUITINGEN Gevaar: Door elektrocutie.  Vooraleer werken uit te voeren moet de stroomtoevoer onderbroken worden. 8.1 Algemeen De voorschriften van de plaatselijke elektriciteitsmaatschappij en van het algemene reglement op de elektrische installaties (A.R.E.I.), moeten strikt opgevolgd worden. De ketel is IPX 4 D-gekeurd. De gasketels zijn volledig gekableerd en ontstoord. Andere verbruikers mogen niet aftakken. De ketel via de stekker aan een stopcontact met aarding aansluiten. De voedingsspanning moet minimaal 200 V/AC en maximaal 250 V/AC bedragen. Indien de bedrading achter de ketel aangebracht werd, raden wij U aan deze bedrading minstens 50 cm uit de muur te laten steken. Zekeringen De ketel is beveiligd met 3 zekeringen. Deze bevinden zich op de printplaat. Vervangzekeringen bevinden zich op de achterkant van de afdekplaat (zie.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 23  De kabeldoorvoer afsnijden volgens de kabeldikte. De opening nooit groter maken dan de kabeldikte, zoniet is de ketel niet meer spatwaterbeveiligd. Fig. 23 8. 2. 2 Verwarmingsregelingen of afstandsbedieningen aansluiten Sluit enkel de modulerende regelapparatuur van JUNKERS aan. Dan alleen verkrijgt U een optimaal rendement, een minimaal verbruik en de langste levensduur. Raadpleeg de montagevoorschriften van de regelaar voor de inbouw en voor de elektrische aansluiting. 1 BUS-regelaar (FR 10, FR 110, FR 120, FW 120, FW 200 & FW 500) 2 printplaat van de gasketel De BUS-regelaars worden aangesloten aan de klemmen B & B. Oudere thermostaten (bvb. TR 21, TR 100, TR 200 enz. ) worden aangesloten aan de klemmen 1, 2 en 4. Fig. 24 De regelingen FW 120, FW 200 en FW 500 kunnen ook direct vooraan in de Heatronic ingebouwd worden.

Belangrijke opmerking: Thermostatische radiatorkranen op alle radiatoren leiden tot een meerverbruik en verkorten de levensduur van de ketel. Wij raden U dus ten stelligste aan dergelijke installaties te vermijden. Daarom steeds een of meerdere radiatoren met gewone radiatorkranen uitrusten. Bij voorkeur de radiatoren in de pilootruimte (de ruimte waar de thermostaat geïnstalleerd is). 8. 2. 3 Aansluiten van een indirect gestookte boiler met NTC-sensor (bvb. Storacell) aan de ketels TOP 14-3 CE ZSB & TOP 22-3 CE ZSB Junkers-boilers met NTC sensor worden direct op de printplaat van de ketel aangesloten. De kabel met stekker zit bij de boiler.  Doorvoer uitbreken.  Kabel van boiler-NTC doorvoeren.  Stekker rechtstreeks op de printplaat steken (ST 15). Fig. 25 8. 2.

4 Aansluiten van een temperatuurbegrenzer TB 1 in een vloerverwarmingsinstallatie Bij verwarmingsinstallaties met enkel vloerverwarming en directe hydraulische aansluiting aan de gasketel, tot 15 kW kan men een TB rechtstreeks op de ketel aansluiten. Brug 8 – 9 verwijderen en de TB op deze plaats aan-sluiten.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 25 9.2 Openen van het deksel  Druk op de markering (3 puntjes) om het deksel te openen. Fig. 28 9.3 Verwarmingswaterdruk controleren Voor het bijvullen eerst de vulset met water vullen. Dit voorkomt dat er lucht in de installatie komt. Fig. 29 Opgelet: De ketel kan beschadigd worden.  Vul enkel water bij wanneer de ketel koud is.  De wijzer op de manometer (10) moet tussen de 1 en 1,5 bar staan.  Staat de wijzer onder de 1 bar (in koude toestand) dan moet u bijvullen totdat de wijzer weer tussen de 1 en 1,5 bar staat. Aanduiding op de manometer 0,6 bar Minimale vuldruk (bij koude installatie) 1,2 bar Optimale vuldruk 3 bar Maximale werkdruk De maximumdruk van 3 bar mag niet overschreden worden, ook niet bij hogere vertrektemperatuur. Anders opent het overdrukventiel.

Wanneer de verwarmingswaterdruk niet behouden blijft, moet de dichtheid van het expansievat en van de verwarmingsinstallatie gecontroleerd worden. 9.4 In-/Uitschakelen Inschakelen Fig. 30  Hoofdschakelaar inschakelen. Het controlelampje brandt blauw en in het display verschijnt de vertrektemperatuur. De ketel wordt eenmalig ontlucht wanneer hij voor het eerst ingeschakeld wordt. De verwarmingspomp wordt in intervallen in- en uitgeschakeld zonder dat de ketel opspringt. Dit duurt ongeveer 4 minuten. In het display wordt afwisselend met de vertrektemperatuur weergegeven.  Open de automatische ontluchter (9) sluit deze weer na het ontluchten. Wanneer in het display in afwisseling met de vertrektemperatuur verschijnt, is het sifonvulprogramma in werking. Uitschakelen  Hoofdschakelaar uitschakelen. Het controlelampje dooft.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 26 9.5 Verwarming inschakelen Fig. 31 De vertrektemperatuur kan tussen 35 en 90°C ingesteld worden. De vertrektemperatuur wordt in het display aangeduid. Let op de maximum toegelaten vertrektemperatuur bij vloerverwarming.  Temperatuurregelaar verwarming verdraaien, om de vertrektemperatuur van de verwarmingsinstallatie aan te passen. Wanneer de brander in bedrijf is, brandt het controlelampje groen. stand vertrektemperatuurregelaar vertrektemperatuur gebruik 1 ongeveer 35°C 2 ongeveer 43°C 3 ongeveer 50°C vloerverwarming 4 ongeveer 60°C 5 ongeveer 67°C 6 ongeveer 75°C verwarming met radiatoren max ongeveer 90°C verwarming met convectoren 9.6 Temperatuurregeling Raadpleeg de voorschriften van de regelapparatuur.

Hierin vindt U hoe:  U de werking en de stookcurve van de weersafhankelijke regelaar kunt instellen,  U de kamerthermostaten kunt instellen,  U economisch kunt verwarmen en energie kunt besparen. Fig. 32 9.7 Na de inbedrijfname  Controleer de gasaansluitdruk.  Controleer of er condensatiewater in de sifon loopt. Indien niet; de ketel uitschakelen en daar na opnieuw inscha-kelen. Hierdoor wordt het sifonvulprogramma opnieuw geactiveerd. Herhaal deze handeling tot er condensatiewater in de sifon loopt. 9.8 Ketels TOP 14-3 CE ZSB & TOP 22-3 CE ZSB met boiler Storacell: warmwatertemperatuur instellen (via NTC) Fig. 33  Boilertemperatuur met temperatuurinstelknop van de ketel instellen. De ingestelde temperatuur knippert gedurende 30 seconden in het display. Waarschuwing: verbrandingsgevaar!  Temperatuur bij normaal gebruik niet hoger dan 60°C instellen.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 27 ECO-toets Door de eco-toets in te drukken en kort vast te houden kan u kiezen tussen het comfortbedrijf en de spaarfunctie. Comfortbedrijf, eco-toets brandt niet (fabrieksinstelling) Boilervoorrang, hierbij wordt eerst de boiler opgewarmd tot de ingestelde temperatuur. Daarna gaat de ketel pas over op verwarming. Spaarfunctie, eco-toets brandt In de spaarfunctie wisselt de ketel tussen verwarmingsfunctie en boiler opwarmen. 9. 9 Ketel TOP 22/28-3 CE ZWB: warmwatertemperatuur instellen  Warmwatertemperatuur met temperatuurinstelknop van de ketel instellen. De ingestelde temperatuur knippert gedurende 30 seconden in het display. temperatuurinstelknop warmwatertemperatuur min ongeveer 40°C e ongeveer 50°C max ongeveer 60°C Fig. 34 ECO-toets Door de eco-toets in te drukken en kort vast te houden kan u kiezen tussen het comfortbedrijf en de spaarfunctie.

Comfortbedrijf, eco-toets brandt niet (fabrieksinstelling) De ketel wordt voortdurend op de ingestelde temperatuur gehouden. Daardoor is de wachttijd bij warmwaterafname tot een minimum beperkt. De ketel wordt daarom ingeschakeld, ook wanneer er geen warm water wordt afgenomen. Deze positie verhoogt het risico van verkalking en heeft een meerverbruik tot gevolg. Spaarfunctie, eco-toets brandt De ketel wordt NIET op de ingestelde temperatuur gehouden. De voorrang voor warm water blijft wel actief.  Met comfort op commando Door kort openen en sluiten van de warmwaterkraan wordt het water tot de ingestelde temperatuur verwarmd. Na korte tijd is er onmiddellijk warm water beschikbaar. Na aftapping van warm water schakelt de ketel terug over naar de spaarfunctie. Dit ‘’comfort op commando’’ geeft extra warmwatercomfort met een minimaal gas- en waterverbruik en beperkt de kalkvorming.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 28 9.11 Vorstbeveiliging 9.11.1 Vorstbescherming van de verwarmingsinstallatie  Verwarming in bedrijf laten met de temperatuurregelaar minstens in stand 1.  Bij uitgeschakelde verwarming: Het CV-water bijvullen met het antivriesmiddel (zie hoofdstuk 7.6).  Ledig het warmwatercircuit. Fig. 36 9.11.2 Vorstbeveiliging van de boiler (indien aangesloten)  De gasketel niet uitschakelen.  Temperatuurinstelknop tot linkeraanslag draaien. De vorstbeveiliging wordt geactiveerd wanneer de temperatuur van de boiler onder 10°C daalt. Fig. 37 9.12 Vergrendeling van de Heatronic Deze vergrendeling werkt voor de vertrektemperatuurregelaar CV, de temperatuurregelaar warm water en voor alle toetsen met uitzondering van de hoofdschakelaar, de schoorsteenvegertoets en de reset-toets.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 29 9.13 Thermische desinfectie De volledige warmwaterinstallatie met inbegrip van de aftappunten dienen regelmatig thermisch gedesinfecteerd te worden. (Zie lokale en/of nationale richtlijnen.) Bij sommige verwarmingsregelaars kan de thermische desinfectie op een vast tijdstop geprogrammeerd worden. Zie hiervoor de handleiding van de regelaar. Waarschuwing: verbrandingsgevaar!  Voer een thermische desinfectie alleen buiten de normale gebruikstijden uit.  Na de thermische desinfectie koelt de boiler slechts langzaam af. De uitlooptemperatuur kan dan hoger zijn dan de ingestelde temperatuur.  Warmwateraftappunten sluiten.  Verwittig alle bewoners van het mogelijke verbrandingsgevaar.  Eventuele sanitaire omlooppomp op continu instellen.  De temperatuurinstelknop volledig naar rechts draaien (ongeveer 70°C). Fig.

39  Wachten tot de maximale temperatuur bereikt is.  Eerst het meest nabije warmwateraftappunt openen tot gedurende 3 minuten water aan 70°C uitloopt. Doe daarna hetzelfde voor de volgende aftappunten tot en met het verst afgelegen aftappunt.  De temperatuurinstelknop warmwater, de eventuele sanitaire omlooppomp en de verwarmingsregelaar terug op normale werking instellen. 9.14 Pompblokkeringsbeveiliging Deze regeling verhindert het vastzitten van de CV-pomp en van de boilerlaadpomp na een langere stilstandperiode. Iedere uitschakeling van de circulatiepomp wordt gevolgd door een tijdmeting, om na 24 uur de pomp kortstondig te laten draaien. Let op: de ketel moet elektrisch ingeschakeld blijven.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 30 10. INDIVIDUELE INSTELLING 10.1 Manuele instellingen 10.1.1 Grootte van het expansievat controleren Het volgende diagram geeft aan of het ingebouwde expansievat voldoende is, of dat er een extern vat dient geplaatst te worden (aan te raden bij vloerverwarming). Voor de getoonde kenlijnen wordt met volgende gegevens rekening gehouden: • De voordruk van het expansievat komt overeen met de statische opvoerhoogte van de installatie + 0,3 bar. • De normale werkdruk ligt tussen 1 en 2,5 bar. • De maximale bedrijfsdruk (veiligheidsventiel) bedraagt 3 bar. • Voor vloerverwarming: raadpleeg de leverancier van de vloerverwarming.

I II III IV V VI tV VA voordruk 0,2 bar voordruk 0,5 bar voordruk 0,75 bar (fabrieksinstelling) voordruk 1,0 bar voordruk 1,2 bar voordruk 1,3 bar vertrektemperatuur inhoud in liter A B nuttig bereik van het expansievat extra expansievat nodig Fig. 40  Wanneer het snijpunt rechts naast de curve ligt, moet een bijkomend expansievat geïnstalleerd worden.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 31 11. HEATRONIC INSTELLINGEN 11. 1 Bediening van Heatronic De Heatronic-module maakt een comfortabele instelling mogelijk, tevens kunnen de installateur en/of de servicedienst van JUNKERS veel toestelfuncties controleren. De beschrijving beperkt zich tot de noodzakelijke functies bij de inbedrijfname. Overzicht van het bedieningspaneel 1 schoorsteenvegertoets 2 servicetoets 3 display 4 eco-toets, servicefuncties ‘’oplopend’’ 5 vergrendelingstoets, servicefuncties ‘’aflopend’’ Fig. 41 Servicefunctie kiezen De servicefuncties zijn onderverdeeld in twee niveaus: - Niveau 1 omvat de servicefuncties tot 7. F, - Niveau 2 omvat de servicefuncties vanaf 8. A.  Servicetoets indrukken en ingedrukt houden, tot hij oplicht. In het display verschijnt bvb. 1. A (eerste serviceniveau).

 Indien u naar het tweede serviceniveau wenst te gaan, de eco-toets en de vergrendelingstoets gelijktijdig indrukken (ongeveer 5 seconden) tot bvb. 8. A verschijnt.  De gewenste servicefunctie oproepen door de eco-toets (menu oplopend) of de vergrendelingstoets (menu aflopend) in te drukken tot de gewenste servicefunctie verschijnt.  Druk (kort) op de schoorsteenvegertoets om de parameter van de geselecteerde servicefunctie op te roepen. De schoorsteenvegertoets licht op en het display toont de ingestelde waarde van de parameter. Waarde van de parameter wijzigen  De eco-toets (menu oplopend) of de vergrendelingstoets (menu aflopend) indrukken tot de gewenste waarde verschijnt. Gewijzigde waarde van de parameter vastleggen  Schoorsteenvegertoets indrukken (ongeveer 5 seconden) tot in het display verschijnt. Daarna toont het display opnieuw de geselecteerde servicefunctie.

nominaal warmtevermogen en max. nominaal warmtevermogen op de specifieke warmtebehoefte worden begrensd. Ook bij een begrensd verwarmingsvermogen is bij het opwarmen van de boiler het max. nominale warmtevermogen beschikbaar. De fabrieksinstelling is het max. nominale warmtevermogen. type ketel aanduiding in het display TOP 14-3 CE ZSB U0 (100 %) TOP 22-3 CE ZSB U0 (100 %) TOP 22/28-3 CE ZWB 84  Kies de servicefunctie 1. A.  Bereken (in %) het vereiste CV-vermogen ten opzichte van het maximum sanitair vermogen.  Programmeer dit getal in de servicefunctie 1. A en leg het vast.  Verlaat de servicefuncties. Het display toont opnieuw de vertrektemperatuur. Vermogen warmwaterbereiding instellen (servicefunctie 1. b – voor ketels ZSB) Het vermogen voor de warmwaterbereiding kan tussen min. nominaal warmtevermogen en max.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 34 Pompkarakteristiek (servicefunctie 1.C) De pompkarakteristiek geeft aan hoe de pomp in de verwarmingsfunctie geregeld wordt. De pomp schakelt daarbij zo tussen de verschillende pompstanden dat de gekozen curve wordt aangehouden. Een verandering van de karakteristiek is zinvol wanneer een kleinere restopvoerhoogte voldoende is voor het verzeke-ren van de vereiste hoeveelheid circulatiewater. Kies een lage curve wanneer u zo veel mogelijk energie wil besparen en eventuele stromingsgeluiden wil beperken. U kunt de pompkarakteristiek kiezen tussen:  0 Pompstand instelbaar, servicefunctie 1.d  1 Constante druk hoog  2 Constante druk middel  3 Constante druk laag  4 Proportionele druk hoog  5 Proportionele druk laag. De fabrieksinstelling is: 2 (constante druk middel). Fig. 42 constante druk Fig.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 35 Sturing ingebouwde circulatiepomp (servicefunctie 1. E) Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regeling, wordt automatisch op pompschakeling 4 overgeschakeld. Verschillende pompschakelingen:  Schakelstand 00 (automatische werking, fabrieksinstelling): De BUS-regelaar stuurt de circulatiepomp.  Schakelstand 01 (Een dergelijke bediening is ten stelligste af te raden omwille van risico op oververhitting. ): Voor installaties zonder externe regelaar. De pomp wordt door de vertrektemperatuurregelaar geschakeld. Bij warmtevraag start de pomp samen met de brander.  Schakelstand 02: Voor installaties met kamerthermostaat aangesloten aan de klemmen 1, 2 en 4 (24 V).  Schakelstand 03: De circulatiepomp draait continu (uitzonderingen: zie handleiding van de regelaar).

 Schakelstand 04: Intelligente uitschakeling van de circulatiepomp bij installaties met weersafhankelijke regeling. De pomp wordt enkel ingeschakeld wanneer het nodig is. Maximum vertrektemperatuur instellen (servicefunctie 2. b) De maximale vertrektemperatuur kan tussen 35 en 88°C ingesteld worden. De fabrieksinstelling is 88. Ontluchtingsfunctie (servicefunctie 2. C) Wanneer U het toestel voor het eerst inschakelt, wordt de ontluchtingsfunctie eenmalig uitgevoerd. De verwarmingspomp wordt in intervallen in- en uitgeschakeld. Dit duurt ongeveer 4 minuten. In het display wordt afwisselend en de vertrektemperatuur weergegeven. Na onderhoudswerkzaamheden kan de ontluchtingsfunctie ingeschakeld worden.

Mogelijke instellingen: • 00 de ontluchtingsfunctie is uitgeschakeld, • 01 de ontluchtingsfunctie is ingeschakeld en wordt na afloop automatisch op 00 teruggezet, • 02 de ontluchtingsfunctie is continu ingeschakeld en wordt niet automatisch op 00 teruggezet. De fabrieksinstelling is 01. Thermische desinfectie (servicefunctie 2.

d – enkel voor ketel ZSB met boiler) Wanneer deze servicefunctie ingeschakeld is, wordt het warm water constant tot ongeveer 75°C verwarmd wanneer de temperatuurinstelknop warm water volledig naar rechts gedraaid is. Waarschuwing: verbrandingsgevaar.  Voer een thermische desinfectie alleen buiten de normale gebruikstijden uit.  Na de thermische desinfectie koelt de boiler slechts langzaam af. De uitlooptemperatuur kan dan hoger zijn dan de ingestelde temperatuur. Mogelijke instellingen: • 00 de thermische desinfectie is uitgeschakeld • 01 de thermische desinfectie is ingeschakeld De fabrieksinstelling is 00 (thermische desinfectie uitgeschakeld). Bedrijfsstand (servicefunctie 2. F) Met deze functie kunt u de werking van de ketel tijdelijk veranderen. Mogelijke instellingen: • 00 normale werking: de ketel werkt volgens de verwarmingsregelaar.

• 01 de ketel werkt gedurende 15 minuten met minimaal vermogen. In het display wordt afwisselend en de vertrektemperatuur weergegeven. Na 15 minuten schakelt de ketel over op normale werking. • 02 de ketel werkt gedurende 15 minuten met maximaal vermogen. In het display wordt afwisselend en de vertrektemperatuur weergegeven. Na 15 minuten schakelt de ketel over op normale werking. De fabrieksinstelling is 00.

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 36 Automatisch antipendelprogramma (servicefunctie 3. A) Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen. Met servicefunctie 3. A kan de automatische aanpassing van het antipendelprogramma uitgeschakeld worden. Dit kan noodzakelijk zijn bij een verwarmingsinstallatie met ongunstige dimensionering. Wanneer de aanpassing van het antipendelprogramma uitgeschakeld is, moet het antipendelprogramma met servicefunctie 3. b worden ingesteld. Mogelijke instellingen: • 00 uitgeschakeld • 01 ingeschakeld De fabrieksinstelling is 00 (uitgeschakeld). Instellen van de antipendelblokkering (servicefunctie 3. b) Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen.

Deze servicefunctie is alleen actief wanneer servicefunctie 3. A (automatisch antipendelprogramma) uitgeschakeld is. Op het schakelpaneel kan het antipendelprogramma individueel tussen 00 en 15 (0 en 15 minuten) ingesteld worden. De fabrieksinstelling is 03 (3 minuten). Bij 00 is het antipendelprogramma uitgeschakeld. De kortste schakeltijd bedraagt 1 minuut (aan te raden bij 1-pijpsystemen en luchtverwarming). Schakeldifferentieel (servicefunctie 3. C) Bij het aansluiten van een weersafhankelijke regelaar, is een instelling niet nodig. Het antipendelprogramma wordt door de regelaar overgenomen. Deze servicefunctie is alleen actief wanneer servicefunctie 3. A (automatisch antipendelprogramma) uitgeschakeld is. Het schakeldifferentieel is de toegestane afwijking van de gevraagde vertrektemperatuur. Het schakeldifferentieel kan met stappen van 1 K ingesteld worden.

d) Het CV- en het warmwatervermogen kunnen in procenten op iedere willekeurige waarde tussen minimaal nominaal vermogen en maximaal nominaal vermogen worden ingesteld. De instelling gebeurt zoals bij servicefunctie 1. A. De fabrieksinstelling is het minimale nominale vermogen (verwarming en warm water) en hangt af van het type ketel. Antipendeltijd warmhoudfunctie platenwisselaar (servicefunctie 3. E – enkel voor ZWB) Deze servicefunctie werkt alleen in comfortbedrijf. Deze bepaalt na het voorverwarmen of bij warmtevraag sanitair de tijd, die tot aan de volgende opwarming van de platenwarmtewisselaar verloopt. Daarmee wordt een te sterke opwarming van de platenwarmtewisselaar voorkomen. De schakeltijd kan van 20 tot 60 (20 tot 60 minuten) worden ingesteld. De fabrieksinstelling is 20 (20 minuten). Tijdsduur warmhoudfunctie (servicefunctie 3.

F – enkel voor ZWB) De duur van het warm houden geeft aan, hoe lang het CV-bedrijf na een warmwaterafname geblokkeerd blijft. De duur van het warm houden kan van 00 tot 30 (0 tot 30 minuten) worden ingesteld. De fabrieksinstelling is 05 (5 minuten). Maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar (servicefunctie 4. b) De maximale warmhoudtemperatuur van de warmtewisselaar kan tussen 40 en 65 (40 tot 65°C) worden ingesteld. Bij kalkrijk water op 40°C zetten. De fabrieksinstelling is 65 (65°C). Waarschuwingssignaal (servicefunctie 4. d) Bij een storing weerklinkt een waarschuwingssignaal. Met de servicefunctie 4. d kan dit signaal uitgeschakeld worden. De fabrieksinstelling is 01 (ingeschakeld).

6 720 805 200 (2013/06 BL-NL) 37 Type ketel (servicefunctie 4. E) Deze servicefunctie toont het type ketel. Mogelijke instellingen: • 00 enkel verwarming • 01 combi-ketel (verwarming + sanitair warm water) • 02 boilertemperatuursensor aan de Heatronic aangesloten • 03 boilerthermostaat aan de Heatronic aangesloten Sifonvulprogramma (servicefunctie 4. F) Het sifonvulprogramma waarborgt, dat de condenswatersifon na het installeren of een langere stilstandperiode gevuld wordt. Het sifonvulprogramma wordt geactiveerd wanneer:  de hoofdschakelaar ingeschakeld wordt,  er minstens 28 dagen geen warmtevraag geweest is,  van zomer- op winterbedrijf of omgekeerd geschakeld wordt. Na de eerste warmtevraag voor verwarming of warm water wordt het toestel 15 minuten lang op het minimale vermogen gehouden.

Het sifonvulprogramma blijft zo lang in bedrijf, totdat de 15 minuten op klein vermogen bereikt is. In het display verschijnt in afwisseling met de vertrektemperatuur. De fabrieksinstelling is 01 (sifonvulprogramma in werking met minimaal vermogen). Instelling 02: sifonvulprogramma in werking met minimaal geprogrammeerd vermogen. Instelling 00: sifonvulprogramma is uitgeschakeld. Waarschuwing: Bij een niet gevulde condenswatersifon kunnen er rookgassen uit de sifon treden.  Het sifonvulprogramma mag alleen tijdens de onderhoudswerkzaamheden uitgeschakeld worden.  Het sifonvulprogramma moet, na het beëindigen van het onderhoud, opnieuw ingeschakeld worden. Onderhoudsinterval resetten (servicefunctie 5. A) Met deze servicefunctie kan men de aanduiding in het display resetten. De instelling is 00. Nalooptijd ventilator (servicefunctie 5.

b) De nalooptijd kan van 01 tot 18 (10 tot 180 seconden) ingesteld worden. De fabrieksinstelling is 03 (30 seconden). Gebruik van het kanaal bij een 1-kanaalsschakelklok wijzigen (servicefunctie 5. C) Met deze servicefunctie kan men het gebruik van het kanaal van verwarming naar warmwaterbereiding wijzingen.

Mogelijke instellingen: • 00 2-kanaals (verwarming en warmwaterbereiding), • 01 1 kanaal verwarming, • 02 1 kanaal warmwaterbereiding. De fabrieksinstelling is 00. Type boiler (servicefunctie 5. d) Het boilertype wordt automatisch herkend en moet niet worden gewijzigd. Aansluiting NP - LP (servicefunctie 5. E) Met deze servicefunctie kan men de aansluiting NP – LP instellen. Mogelijke instellingen:  00 uitgeschakeld  01 sanitaire omlooppomp (gestuurd door de regelaar)  02 externe verwarmingspomp in het ongemengde verbruikerscircuit (voorbij de evenwichtsfles) De fabrieksinstelling is 00.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Junkers 28-3 CE ZWB stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden