Husqvarna EPOS RS1 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Husqvarna EPOS RS1 (304 pagina’s), behorend tot de categorie Robotmaaier. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 14 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Husqvarna EPOS RS1 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/304
EPOS
RS1
ENOperator's manual 2-25
SVBruksanvisning 26-49
DABrugsanvisning 50-73
FIKäyttöohje 74-97
NOBruksanvisning 98-121
FRManuel d'utilisation 122-147
NLGebruiksaanwijzing 148-173
ITManuale dell'operatore 174-198
ESManual de usuario 199-223
DEBedienungsanweisung 224-250
PTManual do utilizador 251-276
SLNavodila za uporabo 277-300

Beoordeel deze handleiding

4.8/5 (9 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Husqvarna
Categorie: Robotmaaier
Model: EPOS RS1

Handleiding Husqvarna EPOS RS1 – volledige tekst

Inhoud49 Veiligheid. 14850 Inleiding. 14951 Installatie. 15252 Onderhoud. 16653 Probleemoplossing. 16754 Opbergen en afdanken. 17155 Technische gegevens. 17256 Verklaring van overeenstemming. 17349 Veiligheid49. 1 VeiligheidsdefinitiesWaarschuwingen, voorzorgsmaatregelen enopmerkingen worden gebruikt om te wijzen opbelangrijke delen van de handleiding. WAARSCHUWING: Wordt gebruiktom te wijzen op de kans op ernstig offataal letsel voor de gebruiker of omstanderswanneer de instructies in de handleiding nietworden gevolgd. OPGELET: Wordt gebruikt indien ereen risico bestaat op schade aan hetproduct en andere eigendommen of aande omgeving wanneer de instructies in dehandleiding niet worden gevolgd. Let op: Geven verdere informatie die nodig is in eenbepaalde situatie. 49. 2 Algemene veiligheidsinstructiesWAARSCHUWING: Lees devolgende waarschuwingen voordat u hetproduct gaat gebruiken.

• Volg de nationale voorschriften voor elektrischeveiligheid. • Het product mag alleen worden gebruikt met devoedingseenheid die is geleverd door Husqvarna. • Het product mag uitsluitend worden gebruikt incombinatie met door de fabrikant aanbevolenapparatuur. Elk ander gebruik is onjuist. Deinstructies van de fabrikant over bediening/onderhoud moeten nauwkeurig worden gevolgd. • Het product mag uitsluitend worden bediend,onderhouden en gerepareerd door personen dievolledig vertrouwd zijn met de speciale kenmerkenvan en veiligheidsregels voor het product. Leesde bedieningshandleiding zorgvuldig door en zorgdat u de instructies hebt begrepen voordat u hetproduct gebruikt. • Husqvarna staat niet garant voor volledigecompatibiliteit tussen het product en andere typendraadloze systemen, zoals afstandsbedieningen,radiozenders, ringleidingen, ondergrondseelektrische afrasteringen of dergelijke.

• Het is niet toegestaan het originele ontwerp vanhet product aan te passen. Alle wijzigingen zijn opeigen risico. • Controleer het product op beschadiging voordat uhet product start.

Gebruik het product niet als hetbeschadigd is. • De bedrijfstemperatuur voor het referentiestationis -20 t/m 45°C. De bedrijfstemperatuurvoor de EPOS-plug-in is 0 t/m 45°C. Deopslagtemperatuur voor het referentiestation en deEPOS-plug-in is -20 t/m 70°C. 49. 3 Veiligheidsinstructies voorinstallatieWAARSCHUWING: Lees devolgende waarschuwingen voordat u hetproduct gaat gebruiken. • Plaats de voeding niet op een plek waar er eenrisico bestaat dat deze nat kan worden. Zet devoeding niet op de grond. • Kapsel de voeding niet in. Condenswater kan devoeding beschadigen en het risico op elektrischeschokken vergroten. • Risico van elektrische schok. Gebruik altijd eenaardlekschakelaar (RCD) bij het aansluiten vande voeding op het stopcontact. Van toepassingvoor USA/Canada. Als de voedingseenheid buitenis opgesteld: Risico van elektrische schok.

Alleenaansluiten op een afgedekt GFCI-stopcontact(RCD), klasse A, dat voorzien is van een behuizingdie waterdicht is, ongeacht of de kap van deaansluitstekker is geplaatst. • Zorg ervoor dat de pluggen van delaagspanningskabel en de voedingseenheidschoon en droog zijn voordat u ze aansluit. • Er bestaat een risico op vallende voorwerpentijdens de installatie van het referentiestation. Ditkan leiden tot letsel. 148 - Veiligheid 2211 - 002 - 30. 11. 2023.

• De voedingskabel en verlengkabel moeten zichbuiten het werkgebied bevinden om schade aan dekabels te voorkomen.• Er bestaat een risico dat het referentiestation valtwanneer u het op een hoge positie installeert. Zorgervoor dat u het referentiestation installeert op eenstabiele positie.49.4 Veiligheidsinstructies vooronderhoudWAARSCHUWING: Lees devolgende waarschuwingen voordat u hetproduct gaat gebruiken.• Haal de stekker van het product uit het stopcontactvoordat u het product reinigt of er onderhoud aanuitvoert.49.5 Bij onweerOm het risico op schade aan elektrische componentenin het referentiestation te verkleinen, raden we aan devoeding naar het referentiestation uit te schakelen als ergevaar voor onweer bestaat.

Sluit de voeding weer aanals er geen gevaar voor onweer is.50 Inleiding50.1 InleidingSerienummer:Productnummer:Het serienummer staat op het productplaatje en op de productverpakking. Gebruik het serienummer om uw product teregistreren op www.husqvarna.com.50.1.1 SteunNeem contact op met uw Husqvarna-dealer voorondersteuning met betrekking tot het product.50.1.2 ProductbeschrijvingLet op: Husqvarna werkt het uiterlijk en de werkingvan producten regelmatig bij. Zie Steun op pagina 149.Het EPOS™-referentiestation ontvangt satellietsignalenen stuurt correctiegegevens naar de robotmaaier.De EPOS™ Plug-in gebruikt satellietsignalen ende correctiegegevens van het referentiestation voorplaatsing.50.1.3 SysteembeschrijvingHet EPOS™-systeem bevat een robotmaaier, eenlaadstation en een referentiestation. De robotmaaieren het referentiestation ontvangen satellietsignalenvoor positionering.

Het referentiestation staat stil enstuurt correctiegegevens naar de robotmaaier om eennauwkeurige positie voor de maaier te verkrijgen. Hetwerkgebied wordt virtueel in een app gemaakt door hetproduct te bedienen en waypoints toe te voegen om eenkaart in een app te maken.2211 - 002 - 30.11.2023 Inleiding - 149

50.1.5 Systeemoverzicht53128824912671011111. Satellieten2. Satellietsignalen3. Referentiestation4. Correctiegegevens5. Laadstation576. Virtuele grens7. Te vermijden zone8. Werkgebied9. Mobiel apparaat5810. Koppelpunt11. Transportpad12. Robotmaaier met EPOS™ Plug-in-kit5950.1.6 Symbolen op het productDeze symbolen staan op het product. Zorg ervoor dat udeze begrijpt.Dit product voldoet aan de geldende EU-richtlijnen.Dit product voldoet aan de geldende UK-richtlijnen.Het is niet toegestaan om het product alsnormaal huishoudelijk afval af te voeren.Houd u aan de nationale voorschriften engebruik het lokale recyclingsysteem.Gebruik een losse voedingmet de specificaties die ophet typeplaatje naast hetsymbool staan vermeld.57Niet inbegrepen.58Niet inbegrepen.59Robotmaaier niet meegeleverd.2211 - 002 - 30.11.2023 Inleiding - 151

Let op: Andere symbolen/stickers op het producthebben betrekking op certificeringseisen voor bepaaldemarkten. 50. 1. 7 Symbolen in de appToont de sterkte van het radiosignaaldat het product van het referentiestationontvangt. De status is EPOS bevestigd. Het productheeft een nauwkeurige positie en richting. Dit is nodig om het product automatischte laten werken en voor de installatie vankaartobjecten. De status is EPOS-actie is noodzakelijk. Het product heeft een nauwkeurigepositie, maar het is noodzakelijk omhet product handmatig of automatisch tebedienen voor een nauwkeurige richting. De status is EPOS zoeken. Het productheeft geen nauwkeurige positie enzoekt naar de satellietsignalen en decorrectiegegevens om een nauwkeurigepositie te verkrijgen. 51 Installatie51.

1 Inleiding - installatieWAARSCHUWING: Zorg dat u hethoofdstuk over veiligheid hebt gelezen enbegrepen voordat u het product monteert. WAARSCHUWING: Zorg dat u hethoofdstuk over veiligheid hebt gelezen enbegrepen voordat u het product installeert. OPGELET: Gebruik originelereserveonderdelen en origineelinstallatiemateriaal. Let op: Zie www. husqvarna. com voor meerinformatie over de installatie. 51. 2 Hoofdonderdelen voor deinstallatieDe installatie bevat de volgende onderdelen:• Robotmaaier60, die het gazon automatisch maait. • Laadstation61, dat het product oplaadt. • Voedingseenheid62, die is aangesloten tussen hetlaadstation en een stopcontact van 100-240 V. • Voeding, die is aangesloten tussen hetreferentiestation en een stopcontact van 100-240V. • Referentiestation, dat satellietsignalen ontvangt encorrectiegegevens naar de robotmaaier stuurt. • Automower® EPOS™ Plug-in 63.

• Mobiel apparaat met de Automower® Connect-appom de installatie van het product uit te voeren ende instellingen te regelen. 51. 3 Voorbereiden op installatieOPGELET: Gaten met water in hetgazon kunnen schade aan het productveroorzaken. OPGELET: Lees het hoofdstuk overinstallatie voordat u de installatie start.

• Maak een blauwdruk van het werkgebied en neemer alle obstakels in op. Dit maakt het makkelijkerom te onderzoeken waar het laadstation, hetreferentiestation en de virtuele grenzen moetenworden geplaatst. • Maak een markering op de blauwdruk waarhet laadstation, het referentiestation, hetonderhoudspunt, de transportpaden en de virtuelegrenzen voor de werkgebieden en de te vermijdenzones moeten worden geplaatst. • Volg de instructies voor afstanden tussenbelemmerende objecten. 60Afzonderlijk verkrijgbaar. 61Afzonderlijk verkrijgbaar. 62Meegeleverd met het laadstation. 63Afzonderlijk verkrijgbaar. 152 - Installatie 2211 - 002 - 30. 11. 2023.

• Vul de gaten in het gazon in om het vlak te maken. • Maai het gras voordat u het product installeert. Zorg ervoor dat het gras maximaal 10 cm/4 inchis. Let op: De eerste weken na de installatie kan hetgeluidsniveau bij het maaien van het gras hoger zijn dangewoonlijk. Het geluidsniveau wordt na verloop van tijdlager. 51. 4 Onderzoeken waar het laadstationmoet worden geplaatstOPGELET: Als zich in de buurteen bliksemafleider bevindt, mag u hetreferentiestation niet hoger installeren dande bliksemafleider. OPGELET: Installeer hetreferentiestation niet op een vlaggenmast. Bewegingen van het referentiestationbeïnvloeden de correctiegegevens die metde juiste positie naar het product wordengestuurd. • Installeer het referentiestation op een vast objectdat niet kan bewegen of draaien. • Installeer het referentiestation op een paal of eenmuur. De paal moet 27-36 een diameter van mm /1. 1-2.

2 inch hebben om de opzetstukken op hetreferentiestation te kunnen plaatsen. Let op: Als het referentiestation aan een muurwordt gemonteerd, moet de bovenkant van hetreferentiestation zich boven de muur bevinden. Metalen objecten kunnen interferentie met hetreferentiestationsignaal veroorzaken. • Zorg ervoor dat het referentiestation volledig zichtop de lucht heeft. Het is noodzakelijk dat erminstens 135 graden volledig zicht op de lucht is. 135°• Installeer het referentiestation op eenminimumhoogte van 2 m / 6. 5 ft. • Zorg dat de afstand tussen het referentiestationen de robotmaaier kleiner is dan 100m / 330ft. Objecten tussen het referentiestation en derobotmaaier kunnen de afstand verkleinen. 51. 5 Onderzoeken waar de voedingmoet worden geplaatst• Plaats de voeding in een gebied met een dak enbescherming tegen de zon en de regen.

• Plaats de voeding in een gebied met een goedeluchtstroom. • Gebruik een aardlekschakelaar wanneer u devoeding aansluit op het stopcontact. • Verleng de laagspanningskabel indien nodig.

Delaagspanningskabel kan worden verlengd tot 100m / 328 ft. 51. 6 Onderzoeken waar het laadstationmoet worden geplaatst• U kunt het laadstation in of buiten het werkgebiedplaatsen. Er is geen transportpad nodig als hetlaadstation in het werkgebied wordt geplaatst (A). Er is geen transportpad nodig als het productzich volledig in het werkgebied bevindt als hetbij het koppelpunt van het laadstation is. Als hetlaadstation en het koppelpunt (B) zich niet in hetwerkgebied bevinden, moet u een transportpad (C)installeren. ABC• U kunt het laadstation in een Automower®-huisplaatsen. • Plaats het laadstation (A) waar het koppelpunt(B) onbelemmerd zicht op de hemel heeft. Hetkoppelpunt (B) van het laadstation is waarhet product stopt na achteruitrijden van hetlaadstation. De achteruitrijafstand kan wordeningesteld op 70-250cm / 28-98inch.

BCAABC• Als het product niet mag werken in een deel vanhet koppelgebied, moet u een beschermende muuraanbrengen die minimaal 15 cm / 6 inch hoog is.Het koppelstation (A) is een cirkelvormig gebiedrond het laadstation, met een straal van 3 m / 9.8ft.ALet op: Het product gebruikt het signaal vanhet laadstation om naar het laadstation te zoekenwanneer het zich in het koppelgebied bevindt.• Plaats het laadstation in de buurt van eenstopcontact.• Plaats het laadstation op een vlakke ondergrond.• De bodemplaat van het laadstation mag nietgebogen zijn.max. 5 cm / 2"max. 5 cm / 2"• Als het werkgebied twee delen heeft die zijngescheiden door een steile helling,Husqvarnaraden wij aan het laadstation op het laagste deelte plaatsen.OPGELET: Installeer het laadstationniet op een plek waar zich metalenobjecten in de grond bevinden.

51.7 Onderzoeken waar de voedingmoet worden geplaatstOPGELET: Zorg ervoor dat de messenop het product niet de laagspanningskabeldoorsnijden.OPGELET: Plaats delaagspanningskabel niet in een spoel ofonder de plaat van het laadstation. Debobine veroorzaakt interferentie met hetsignaal van het laadstation.• Plaats de voeding in een gebied met een dak enbescherming tegen de zon en de regen.• Plaats de voeding in een gebied met een goedeluchtstroom.• Gebruik een aardlekschakelaar met eenafschakelstroom van maximaal 30 mA wanneer ude voeding aansluit op het stopcontact.Laagspanningskabels van verschillende lengtes zijnverkrijgbaar als accessoires.51.8 Onderzoeken waar de virtuelegrenzen moeten worden geïnstalleerdOPGELET: Als het werkgebied aaneen waterpartij, helling, afgrond of openbareweg grenst, moet er een beschermendemuur worden geplaatst.

De muur moetminimaal 15 cm/6 inch hoog zijn.OPGELET: Laat het product nietwerken op grind.• Voor een zorgvuldige werking zonder geluidisoleert u alle obstakels zoals bomen, wortels enstenen.• Maak een blauwdruk van het werkgebied voordat ude virtuele grenzen installeert.51.9 Kaartobjecten installeren bijgebouwen en bomen• Zorg dat het 90° gedeelte van de hemelonbelemmerd is waar het product werkt.90°Let op: Het product kan geen signalen vannavigatiesatellieten ontvangen als de hemel wordtbelemmerd.• Maak een te vermijden zone (B) rond bomenen boomgroepen met een bladerdak met eendiameter van meer dan 4m/ 13ft (A).BALet op: Bomen en boomgroepen met eenbladerdak met een diameter van meer dan4m / 13ft (A) kunnen tijdelijke stops van hetproduct veroorzaken.

C• Als u virtuele grenzen wilt installeren in een gebiedmet een U-vormig gebouw, moet de afstand (E)minimaal 6m / 20ft bedragen. Als het gebouwhoger is dan 3m / 10ft moet de afstand (E)twee keer zo groot zijn als de hoogte van hethoogste gebouw. Installeer de virtuele grens opeen minimale afstand (D) van 1.5m / 5ft van hetobject.DDDDE• Zorg dat de gebieden tussen objecten een afstand(F) van minimaal 4m / 13ft hebben.FLet op: Voor gebieden minder breed dan 4 m /13 ft.

kan een transportpad worden gemaakt voorde robotmaaier om door te gaan zonder te snijden.51.9.1 DoorgangenEen doorgang is een sectie met een virtuele grens aanelke kant die twee delen van het werkgebied verbindt.De doorgangsbreedte moet minimaal 2m / 6.5ft zijnvoor een goed maairesultaat.51.9.2 Onderzoeken waar te vermijdenzones moeten worden gemaakt• Maak te vermijden zones rond objecten die groterzijn dan 2x2m.• Zorg ervoor dat de te vermijden zone het volledigegebied omvat waar het product niet mag werken(B).156 - Installatie 2211 - 002 - 30.11.2023

BALet op: Maak geen te vermijden zone doorhet werkgebied om te voorkomen dat het productdelen van het werkgebied (A) binnengaat.• Zorg dat de te vermijden zone minimaal 30x30cm / 1x1 ft is.51.9.3 De kaartobjecten op een hellinginstallerenHellingen die te steil zijn, moeten worden uitgeslotenmet de begrenzingsdraad. De hellingshoek (%) wordtberekend als verticale hoogte gedeeld door horizontaleafstand. Voorbeeld: 10 cm/100 cm = 10%.10 cm/4"100 cm/40"10%• Hellingen die steiler zijn dan de maximaaltoegestane hellingshoek, mogen niet in hetwerkgebied worden opgenomen. U kunt de hellingook isoleren met een te vermijden zone.• Installeer de virtuele grenzen op hellingen dieminder steil zijn dan de maximaal toegestanehellingshoek voor de virtuele grens.• Voor hellingen grenzend aan een openbare wegplaatst u een afzetting van minimaal 15cm hooglangs de buitenrand van de helling.

U kunt eenmuur of hek als afzetting gebruiken.• Voor een systematisch patroon raadt Husqvarnaaan dat de richting van het systematisch patroonrecht hellingopwaarts wordt ingesteld.51.9.4 De functie EPOS Support by wiregebruikenDe begrenzingsdraad kan worden geïnstalleerdvoor gebruik met het EPOS-systeem. Installeer debegrenzingsdraad als de satellietsignalen zwak zijn.Deze mag worden geïnstalleerd in een deel van hetwerkgebied of in een gebied waarin u een transportpadhebt geïnstalleerd.

Raadpleeg de gebruikershandleidingvan de robotmaaier voor informatie over het installerenvan de begrenzingsdraad.Let op: Gebruik de begrenzingsdraad niet om hetwerkgebied te vergroten.• Plaats een deel van de begrenzingsdraad (A) opongeveer 2m / 6,6 ft afstand van het gebied waarhet satellietsignaal zwak is.A• Schakel de functie EPOS Support by wire inwanneer de begrenzingsdraad geïnstalleerd is.2211 - 002 - 30.11.2023Installatie - 157

Selecteer Accessoires > EPOS Support by wire >Inschakelen in de Automower® Connect-app. • Verleng de begrenzingsdraad in het werkgebiedals het product blijft stoppen in een gedeelte vanhet werkgebied. • Verleng de begrenzingsdraad in het werkgebiedals het product het gebied niet met debegrenzingsdraad kan verlaten. 51. 10 Het product installeren1. Installeer de EPOS™ Plug-in. Zie De EPOS-plug-ininstalleren op pagina 158. 2. Installeer de Automower® Connect-app op uwmobiele apparaat. Zie Automower® Connect oppagina 158. 3. Koppel het product aan de Automower®Connect-app. Volg de EPOS™-instructies inde Automower® Connect-app. Zie De EPOS™-installatie uitvoeren op pagina 158. 4. Installeer het laadstation. Zie Laadstationmonteren op pagina 159. 5. Installeer het referentiestation. Zie Hetreferentiestation installeren op pagina 160. 6.

Maak een kaart met werkgebieden, te vermijdenzones, transportpaden en onderhoudspunten. ZieInstallatie van de kaartobjecten op pagina 162. 7. Gebruik de Automower® Connect-app ominstellingen voor het product te regelen. ZieAutomower® Connect op pagina 158. Let op: Lees de bedieningshandleiding vande robotmaaier voor meer informatie over deinstellingen in de app. 51. 10. 1 De EPOS-plug-in installerenVolg de installatie-instructies in debedieningshandleiding voor Automower® EPOS™ Plug-in. 51. 10. 2 De EPOS™-installatie uitvoerenAls het product voor de eerste keer wordt ingeschakeldmet ON, moet u enkele basisinstellingen instellenvoordat u het product kunt gebruiken. U moet hetproduct aan de Automower® Connect-app koppelenom objecten op de kaart te kunnen installeren, deinstellingen te kunnen wijzigen en het product te kunnenbedienen.

Gebruik de Automower® Connect-app op uwmobiele apparaat of op de Automower® Connect-app. 1. Het product inschakelen met ON. Let op: De Bluetooth® koppelingsprocedure-modus van het product is ingesteld op 3 minuten.

As de koppelingsprocedure tussen het product enhet mobiele apparaat niet binnen 3 minuten isvoltooid, schakelt u het product uit met OFF enschakelt u het product vervolgens weer in met ON. 2. Meld u aan bij uw Husqvarna-account in deAutomower® Connect-app. 3. Start Bluetooth® op uw mobiele apparaat. 4. Selecteer Mijn maaiers in de Automower®Connect-app en voeg uw product toe. 5. Voer de pincode van de fabriek in. 6. Volg de instructies voor de EPOS™-installatiein de Automower® Connect-app. Koppel hetreferentiestation en het laadstation af en installeerde kaartobjecten. Let op: U hoeft de Automower® Connect-app en hetproduct slechts eenmaal te koppelen. 51. 10. 3 Automower® ConnectAutomower® Connect is een gratis app voor uwmobiele apparaat. Gebruik de app voor de installatie,instellingen en bediening van uw product.

U kunt ookmeer informatie vinden over onder meer alarmen enstatistieken in de Automower® Connect-app. De app biedt twee verbindingsmogelijkheden: Mobieleverbinding voor de lange afstand en een Bluetooth®-verbinding voor de korte afstand. • Dashboard dat de huidige status van het producten de laadstatus van de accu weergeeft. Let op: Als gevolg van regionale gespecificeerdemobiele systemen wordt een mobiele verbinding metAutomower® Connect niet in alle landen ondersteund. De inbegrepen levenslange service van Automower®Connect is alleen geldig als er een externe leveranciervan beschikbaar is in het toepassingsgebied. 51. 10. 4 Het laadstation installerenLees en begrijp de instructies over het laadstation. Zie Onderzoeken waar het laadstation moet wordengeplaatst op pagina 153. OPGELET: Het is niet toegestaan omnieuwe gaten in de plaat van het laadstationte maken.

WAARSCHUWING: Zorg ervoordat de pluggen van de laagspanningskabelen de voedingseenheid schoon en droogzijn voordat u ze aansluit.Gebruik wanneer u de voeding aansluit altijdeen stopcontact dat is aangesloten op eenaardlekschakelaar (RCD).51.10.4.1 Laadstation monterenOPGELET: Het is niet toegestaan omnieuwe gaten in de plaat van het laadstationte maken.OPGELET: Plaats uw voeten niet op debodemplaat van het laadstation.WAARSCHUWING: Zorg ervoordat de pluggen van de laagspanningskabelen de voedingseenheid schoon en droogzijn voordat u ze aansluit.Gebruik bij het aansluiten van de voeding altijdeen stopcontact dat is aangesloten op eenaardlekschakelaar (RCD).1. Lees en begrijp de instructies over het laadstation.Zie Onderzoeken waar het laadstation moetworden geplaatst op pagina 153.2.

Plaats het laadstation in het geselecteerde gebied.Let op: Bevestig het laadstation pas aan degrond met de schroeven nadat de geleidingsdraadis geïnstalleerd.3. Open de klep aan de voorkant van het laadstation.4. Bevestig de bovenkant van het laadstation.5. Kantel de bovenkant van het laadstation.6. Breng de doorvoertule met de kabels aan.7. Sluit de kabel op het laadstation aan.8. Sluit de laagspanningskabel aan op hetlaadstation.9. Sluit de klep aan de voorkant van het laadstation.10. Zet de voeding op een minimale hoogte van 30cm/12 inch.min 30 cm / 12”11. Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van100-240V.2211 - 002 - 30.11.2023Installatie - 159

Let op: Het product kan in het laadstationworden geplaatst om op te laden terwijl u debegrenzingsdraad installeert.12. Plaats de laagspanningskabel met staken in degrond of graaf de kabel in.13. Sluit de draden aan op het laadstation nadatde installatie van de begrenzingsdraad en degeleidingsdraad is voltooid.14. Bevestig het laadstation aan de grondmet de meegeleverde schroeven nadat degeleidingsdraad is geïnstalleerd.51.10.4.2 Visuele controle van het laadstation uitvoeren1. Controleer of de led-indicator op het laadstationgroen brandt.2. Als de led-indicator niet groen is, controleert u deinstallatie.

Zie Led-indicator op het laadstation oppagina 171 en Laadstation monteren op pagina159.51.10.5 Het referentiestation installerenU kunt het referentiestation op een paal of een muurinstalleren.OPGELET: Bewegingen vanhet referentiestation beïnvloeden decorrectiegegevens die met de juiste positienaar het product worden gestuurd. Hetreferentiestation moet stevig op de paal ofmuur worden geïnstalleerd.OPGELET: De items op de kaartveranderen van positie als u hetreferentiestation verplaatst. Pas de items opde kaart aan of voer de installatie opnieuwuit in de Automower® Connect-app.51.10.5.1 De beugel op een muur installerenLet op: Schroeven worden niet meegeleverd.Gebruik schroeven die geschikt zijn voor het materiaalvan de muur.1. Houd de arm van het referentiestation tegen demuur.

Plaats 2markeringen op de muur voor de2schroeven.Let op: Zorg dat de bovenkant van hetreferentiestation boven de muur uitsteekt.2. Boor gaten in de muur op de plaats van de2markeringen voor de 2schroeven.3. Bevestig de beugel met de 2schroeven aan demuur.51.10.5.2 De beugel op een paal installeren1. Bevestig de paal stevig aan een muur, dak of opde grond. Zorg dat de paal niet kan bewegen.2. Steek de slangklemmen door de sleuf aan deachterzijde van de beugel.160 - Installatie 2211 - 002 - 30.11.2023

A BC3. Bevestig de beugel op de paal en zetde slangklemmen vast met een platteschroevendraaier.51.10.5.3 Het referentiestation installeren1. Houd het referentiestation boven de beugel en lijnde arm van het referentiestation uit met de sleuvenin de beugel.2. Duw het referentiestation omlaag om het aan debeugel te bevestigen.3. Houd het kabeldeksel ingedrukt en beweeghet omlaag om het uit het referentiestation teverwijderen.4. Sluit de laagspanningskabel aan op hetreferentiestation. Plaats de laagspanningskabel inde kabelsleuf.5. Breng het kabeldeksel aan.6. Sluit de laagspanningskabel van hetreferentiestation naar de voeding aan.7. Bevestig de laagspanningskabel met kabelbindersaan de muur of paal.2211 - 002 - 30.11.2023Installatie - 161

OPGELET: Indien delaagspanningskabel niet stevig isbevestigd met kabelbinders, kan dezebij harde wind beschadigd raken. 8. Plaats de voedingseenheid 30-200cm / 1-6. 5 ft. boven de grond. Zie Onderzoeken waar devoeding moet worden geplaatst op pagina 153. 9. Sluit de voedingskabel aan op een stopcontact van100-240V. Let op: Het led-indicatielampje van hetreferentiestation knippert gedurende enkele minutengroen. Het led-indicatielampje brandt continu groenwanneer het referentiestation in bedrijf is. Zie Led-indicator op het referentiestation op pagina 171. 51. 10. 6 Installatie van de kaartobjectenLees en begrijp de instructies over waar u dekaartobjecten moet plaatsen. Zie Onderzoeken waar devirtuele grenzen moeten worden geïnstalleerd op pagina155.

Op de kaart kunt u de volgende objecten installeren inde app:•Werkgebieden (A)•Te vermijden zones (B)•Transportpad (C)•Laadstation (D)•Onderhoudspunt (E)•Referentiestation (F)•Werkgebied (bijgebied) (G)AGBADECFVoor een complete kaartinstallatie moet u eenwerkgebied en een laadstation op de kaart installeren. Een werkgebied wordt gespecificeerd door virtuelegrenzen. Er kunnen maximaal werkgebieden enbijgebieden op een kaart worden geïnstalleerd. Er zijn twee soorten werkgebieden:• Een werkgebied met daarin een laadstation of eenwerkgebied dat verbonden is met een transportpadwaar het product automatisch werkt. • Een bijgebied is een werkgebied zonderlaadstation en zonder transportpad. Het productmoet handmatig naar en van het werkgebiedworden verplaatst. Een transportpad is een opgegeven pad tussen hetkoppelpunt vóór het laadstation en een werkgebied.

Hetproduct kan automatisch werken op dit pad, maar maaitgeen gras. Een transportpad kan tijdelijk worden in- enuitgeschakeld in de app. Er kunnen te vermijden zones worden gemaakt als ergebieden zijn waar het product niet mag werken. Eente vermijden zone wordt gespecificeerd door virtuelegrenzen.

het product wordt uitgevoerd. Het onderhoudspunt is viaeen pad verbonden met het koppelpunt. Als u objecten op de kaart wilt plaatsen, bedient u hetproduct met de appDrive-installatie om waypoints opde kaart toe te voegen. Zie Objecten op de kaart teplaatsen op pagina 163. 51. 10. 6. 1 Objecten op de kaart te plaatsenDe waypoints (A) zijn posities die de virtuele grenzenen paden (B) vormen. De lijnen zijn recht tussende waypoints. We raden aan om zo weinig mogelijkwaypoints te gebruiken. Voor elk werkgebied en debijbehorende te vermijden zones en transportpad ishet totale maximumaantal waypoints 800. Husqvarnaraadt aan maximaal 1000 waypoints toe te voegenvoor de volledige installatie van de kaart. U kunt deposities van de waypoints aanpassen in de app, na deinstallatie van de kaart. Gebruik meerdere waypoints omvloeiende bochten te maken.

Husqvarna raadt u aaneen minimale afstand van 30cm / 1ft aan te houdentussen waypoints. U kunt de posities van de waypointsaanpassen in de app, na de installatie van de kaart. BAOPGELET: Til het product niet open verplaats het niet tussen de waypointsals u de kaartobjecten installeert. GebruikappDrive voor een correcte installatie. Let op: De positie van het waypoint wanneer ueen werkgebied of een te vermijden zone plaatst,bevindt zich in de linker voorhoek van het product. Het werkgebied wordt gespecificeerd door de virtuelegrenzen. Het product kan niet al het gras maaien in hetwerkgebied vanwege de positie van de maaischijf. Let op: De positie van het waypoint bij deinstallatie van een transportpad of een pad naar eenonderhoudspunt bevindt zich in het midden van hetproduct tussen de aandrijfwielen.

• Zorg ervoor dat u zich in de buurt van het productbevindt en met het product verbonden bent via deapp door middel van Bluetooth®. • Zorg ervoor dat de status EPOS™ bevestigd is inde appDrive. Let op: Een gamecontroller met Bluetooth® kanworden gebruikt metappDrive om het product tebedienen.

• Selecteer het object dat u wilt plaatsen en gebruikde knoppen in de appDrive-installatie om hetproduct te bedienen. • Gebruik de knop omhoog (A) om het product naarvoren te verplaatsen. • Gebruik de knop omlaag (A) om het product naarachteren te verplaatsen. • Gebruik de knop met de pijl naar links (C) om hetproduct naar links te draaien. • Gebruik de knop met de pijl naar rechts (D) hetproduct naar rechts te draaien. • Gebruik de middelste knop (E) als joystick om hetproduct in een willekeurige richting te bewegen ente draaien. 2211 - 002 - 30. 11. 2023Installatie - 163.

• Gebruik de knop waypoint (F) om een waypoint toete voegen op de kaart.• Gebruik de knop Ongedaan maken (G) om hetlaatste waypoint te verwijderen.ADFBCEGLet op: Loop 2-3 m / 6.5-9.8 ft. achter het productwanneer u het product gebruikt met appDrive.Een werkgebied makenEr zijn minimaal 3 waypoints nodig om een werkgebiedte maken.• Bedien het product rechtsom rond de grens vanhet werkgebied.• Voeg waypoints toe op de kaart. Laat minimaal 3cm / 1 inch tussen de waypoints en obstakels.• Voeg een waypoint toe om het product het grasaan de rand tussen het gazon en het tegelpad telaten maaien. Zorg ervoor dat u de rand van hetgazon en het tegelpad exact volgt wanneer u eenwaypoint toevoegt.

Het product kan de rand exactvolgen als de hoogte van het tegelpad maximaal 1cm / 0.4 inch is ten opzichte van het gazon.• max 1 cm / 0.4”• Voeg het waypoint toe in de buitenste hoek om devirtuele grens om een hoek te plaatsen.• Stel geen waypoints in die een virtuele grens overzichzelf laten lopen in hetzelfde werkgebied.• Sla het werkgebied op om het eerste en laatstewaypoint automatisch te verbinden met eenvirtuele grens.12345678164 - Installatie 2211 - 002 - 30.11.2023

Een te vermijden zone makenEr zijn minimaal 3 waypoints nodig om een te vermijdenzone te maken.• Bedien het product linksom rond de grens van dete vermijden zone.• Voeg waypoints toe op de kaart. Laat minimaal 3cm / 1 inch tussen de waypoints en obstakels.• Stel geen waypoints in die een virtuele grens overzichzelf laten lopen in dezelfde te vermijden zone.• Sla de te vermijden zone op om het eerste enlaatste waypoint automatisch te verbinden met eenvirtuele grens.Een transportpad maken• Gebruik het product en voeg waypoints toe op dekaart om een transportpad aan te brengen. Beginin een werkgebied op minimum 1 m / 3.3 ft.

van devirtuele grens.• Installeer het transportpad loodrecht op de virtuelegrens van het werkgebied.• Breng geen transportpad aan over een tevermijden zone.• Stel geen waypoints in die ervoor zorgen dat eentransportpad over hetzelfde transportpad loopt.• Vermijd het maken van scherpe bochten wanneeru het transportpad installeert.135º135º

• Plaats het laatste waypoint op een transportpad(A) in een hoek van +/-45graden ten opzichte vanhet koppelpunt.A• Sla het onderhoudspunt op om het laatstewaypoint automatisch te verbinden met hetkoppelpunt.• Stel de doorrijbreedte (A) in voor hetonderhoudspunt. De doorrijbreedte kan wordeningesteld op 2-5 m / 6.6-16.4 ft.AHet laadstation opnieuw installeren op de kaartInstalleer het laadstation opnieuw op de kaart als uhet laadstation verplaatst of vervangt. U kunt dezeook opnieuw installeren als de robotmaaier niet kankoppelen of geen verbinding kan maken met hetlaadstation.1. Selecteer Kaartobjecten > Laadstation in de app.2. Selecteer Laadstation opnieuw installeren en volgde instructies.Het referentiestation opnieuw installeren op de kaartInstalleer het referentiestation opnieuw op de kaart als uhet referentiestation verplaatst of vervangt.1.

Selecteer Kaartobjecten > Referentiestation in deapp.2. Selecteer Referentiestation opnieuw installeren envolg de instructies.52 Onderhoud52.1 Het referentiestation reinigenHusqvarna adviseert een speciale set voor reinigingen onderhoud, verkrijgbaar als accessoire. Neemvoor meer informatie contact op met uw Husqvarna-vertegenwoordiger.OPGELET: Reinig het product en hetlaadstation niet met een hogedrukspuit.Gebruik geen oplosmiddelen voor reiniging.• Gebruik een vochtige doek om het product tereinigen indien nodig.52.2 De EPOS™ Plug-in reinigenOPGELET: Gebruik geenhogedrukreiniger of stromend water om hetproduct te reinigen.• Gebruik een vochtige doek om het product tereinigen indien nodig.166 - Onderhoud 2211 - 002 - 30.11.2023

53. 2 FoutmeldingenDe foutmeldingen in de onderstaande tabel worden weergegeven in de Automower® Connect-app. Neem contact opmet uw Husqvarna-vertegenwoordiger als dezelfde melding vaak wordt weergegeven. Melding Oorzaak ActieGeen lussignaalDe voeding of de laagspanningskabelvoor het laadstation is niet aangesloten. Als de led-indicator op het laadstationniet brandt, betekent dit dat er geenvoeding is. Controleer de aansluiting ophet stopcontact en de aardlekschakelaar. Controleer of de laagspanningskabel isaangesloten op het laadstation. De voeding of de laagspanningskabelvoor het laadstation is beschadigd. Vervang de voeding of de laagspan-ningskabel. De ECO-modus is geactiveerd, en deled-indicator op het laadstation knippertgroen. Het product is handmatig gestartin het werkgebied, maar de STOP-knopwerd niet ingedrukt voordat het productvan het laadstation werd verwijderd.

Hetsignaal van het laadstation wordt uitge-schakeld en het product kan niet in hetlaadstation komen. Plaats het product in het laadstation. Start het product. Het product vindt het lussignaal van hetlaadstation niet. Plaats het product in het laadstation enmaak een nieuw lussignaal. Het laadstation is niet correct geïnstal-leerd. Installeer het laadstation volgens de in-structies. Zie Laadstation monteren oppagina 159. Interferentie door metalen voorwerpenzoals hekwerk, wapeningsstaal of onder-grondse kabels in de buurt van het laad-station. Wijzig de positie van het laadstation. Buiten werkgebiedHet werkgebied is te steil voor de virtuelegrens. Controleer of de virtuele grens correct isaangebracht. Het transportpad of het pad naar het on-derhoudspunt loopt te veel af. Controleer of het transportpad correct isaangebracht. Zie Een transportpad ma-ken op pagina 165.

Het product kan het juiste signaal laad-station niet vinden vanwege interferentiemet een lussignaal van een andere pro-ductinstallatie in de buurt. Plaats het product in het laadstation enmaak een nieuw lussignaal.

Melding Oorzaak ActieLege accuHet product kan het laadstation niet vin-den.Het product heeft geen nauwkeurige po-sitie en kan het laadstation niet vinden.Er is een obstakel waardoor het producthet laadstation niet kan vinden.De accu is aan het einde van de levens-cyclus.Vervang de accu.De antenne van het laadstation is defect. Als de led-indicator op het laadstationrood knippert is de antenne van het laad-station defect. Neem contact op met uwerkende servicedealer.KaartprobleemEr is geen gedefinieerd werkgebied. Maak een werkgebied in de Automower®Connect-app. Zie Een werkgebied ma-ken op pagina 164.Het kaartobjectbestand is onjuist. Controleer de kaart in de app. Pas dekaart aan en sla deze op.Verwijder de kaart en voer een nieuweinstallatie uit.Zoeken naar positieZwak satellietsignaal naar het referentie-station.Het satellietsignaal is tijdelijk zwak.

Hetproduct begint te maaien wanneer de sa-tellietsignalen goed zijn.Onderzoek de installatie van het referen-tiestation.Zwak satellietsignaal naar het product. Het satellietsignaal is tijdelijk zwak. Hetproduct begint te maaien wanneer hetsatellietsignaal goed is.Controleer of er een object zit tussenhet product en de lucht dat interferentiemet het satellietsignaal kan veroorzaken.Verwijder het object of voer een nieuweinstallatie uit om deze onderdelen niet opte nemen in het werkgebied. Zie Installa-tie van de kaartobjecten op pagina 162De begrenzingsdraad installeren om inhet werkgebied te werken met hetEPOS-systeem.

Melding Oorzaak ActieCommunicatieprobleem refe-rentiestationHet product is niet verbonden met hetreferentiestation. Koppel het product en het referentiestati-on. Het referentiestation is niet correct geïn-stalleerd. Onderzoek de installatie van het referen-tiestation. Het product ontvangt geen radiosignaalvan het referentiestation in alle gebiedenwaar het product werkt. Test of het product radiosignaal van hetreferentiestation in alle delen van hetwerkgebied heeft. Als dit niet het gevalis, voert u de installatie van het referen-tiestation of de installatie van de kaartopnieuw uit. Zie Objecten op de kaart teplaatsen op pagina 163. Stroomstoring. Zoek en verhelp de oorzaak van destroomstoring van het referentiestation. Er is een fout opgetreden in het refe-rentiestation en de led-indicator knippertrood.

Koppel de voeding naar het referentie-station los en sluit deze opnieuw aan omhet referentiestation opnieuw te starten. Indien het probleem zich blijft voordoen,neem dan contact op met uw erkendeservicedealer. Er is een interferentie met een ander re-ferentiestation of andere radiosystemenin het gebied. Start het product opnieuw op. Indien hetprobleem zich blijft voordoen, neem dancontact op met uw erkende servicedea-ler. Te veel waypointsEr zijn te veel waypoints in het huidigewerkgebied. Voer een nieuwe installatie van het werk-gebied, de te vermijden zone en detransportpaden uit. Maak minder way-points. Verdeel het huidige werkgebied inmeer werkgebieden. Bestemming niet bereikbaarEr is geen transportpad tussen het laad-station en het werkgebied of het onder-houdspunt. Maak een transportpad tussen het laad-station en het werkgebied of het onder-houdspunt.

Het transportpad wordt geblokkeerd enhet product kan niet naar het werkge-bied, het laadstation of het onderhouds-punt gaan. Zorg ervoor dat het transportpad niet ge-blokkeerd is of verwijder het transportpaden maak een nieuw transportpad.

Meerdere referentiestationsEr is meer dan één referentiestation in debuurt van het werkgebied. Dit kan interfe-rentie voor het product veroorzaken vaneen ander referentiestation. Neem contact op met uw erkende ser-vicedealer als hetzelfde probleem vaakvoorkomt. EPOS-plug-in niet gevondenDe EPOS™ Plug-in is defect of niet cor-rect geïnstalleerd. Start het product opnieuw op. Zorg er-voor dat de EPOS™ Plug-in correct isgeïnstalleerden dat de kabel is aangeslo-ten. Indien het probleem zich blijft voor-doen, neem dan contact op met uw er-kende servicedealer. Werkgebied verknoeidHet laadstation of het referentiestation isverplaatst. Voer een nieuwe installatie van de kaartuit. 170 - Probleemoplossing 2211 - 002 - 30. 11. 2023.

Melding Oorzaak ActieProbleem met accessoire-voedingEr is een voedingsprobleem met de ac-cessoirepoort. Zet het product UIT en koppel het acces-soire los van de accessoirepoort en sluithet weer aan. Start het product opnieuwop. Indien het probleem zich blijft voor-doen, neem dan contact op met uw er-kende servicedealer. 53. 3 Led-indicator op het referentiestationLicht StatusGroen knipperend lampje Opstarten van het referentiestation. Wacht enkele minuten. Groen licht brandt constant In bedrijf. Rood knipperend lampje Het referentiestation werkt niet vanwege een fout. Koppel het netsnoer los en sluithet weer aan om het product opnieuw op te starten. Indien het probleem zich blijftvoordoen, neem dan contact op met uw erkende servicedealer. Wit knipperend lampje Er is een firmware-update nodig. Neem contact op met uw plaatselijke Husqvarnavertegenwoordiger.

Geel knipperend licht Alleen voor referentiestation in repeatermodus: Het referentiestation in repeatermodusheeft geen verbinding met het hoofdreferentiestation. Het referentiestation staat in deopstartmodus of heeft geen verbinding met het hoofdreferentiestation. Als er geenverbinding is, controleert u het hoofdreferentiestation of de dichtstbijzijnde repeater. 53. 4 Led-indicator op het laadstationVoor een volledig werkende installatie moet het indicatielampje in het laadstation constant groen branden of groenknipperen. Volg Problemen oplossen hieronder als het lampje een andere kleur heeft. Op www. husqvarna. com vindt u nog meer hulp. Spreek met uw Husqvarna-vertegenwoordiger bij u in de buurt als unog steeds hulp nodig hebt. LichtStatusConstant groen lampje Goede signalen. Groen knipperend lampje De signalen zijn goed en de ECO-modus is geactiveerd.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Husqvarna EPOS RS1 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden