Grundfos S4 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Grundfos S4 (61 pagina’s), behorend tot de categorie Waterpomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 17 mensen en kreeg gemiddeld 4.6 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Grundfos S4 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/61
S pumps, ranges 72-74-78
S2, S3, S4, ST-55-520 kW
Installatie- en bedieningsinstructies
GRUNDFOS INSTRUCTIONS

Beoordeel deze handleiding

4.6/5 (9 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Grundfos
Categorie: Waterpomp
Model: S4

Handleiding Grundfos S4 – volledige tekst

Het product in bedrijf nemen. 6246. 1 Voorbereiden voor inschakelen. 6256. 2 Niveau van de verpompte vloeistof. 6256. 3 Controle van de draairichting. 6276. 4 Inschakelen. 6287. Het product opslaan en hanteren. 6297. 1 Het product hanteren. 6297. 2 Het product opslaan. 6298. Het product servicen en onderhouden 6308. 1 Veiligheidsinstructies en vereisten. 6308. 2 Onderhoudsschema. 6308. 3 Olie controleren en verversen. 6318. 4 Inspectie en aanpassing van de spelingrondom de waaier. 6328. 5 Pompreiniging en -inspectie. 6348. 6 Voedingskabels. 6348. 7 Reserveonderdelen. 6358. 8 Verontreinigde pompen en service. 6359. Problemen met het product opsporen 63610. Technische gegevens. 63910. 1 Bedrijfscondities. 63910. 2 Elektrische gegevens. 63910. 3 Afmetingen en gewicht. 64011. Het product afvoeren. 641601Nederlands (NL).

Installatie en bediening moetvoldoen aan de lokale voorschriften engangbare gedragscodes.1.1 GevarenaanduidingenDe onderstaande symbolen en gevarenaanduidingenworden mogelijk weergegeven in installatie- enbedrijfsinstructies, veiligheidsinstructies enonderhoudsinstructies van Grundfos.GEVAARGeeft een gevaarlijke situatie aan die, alsdeze niet wordt vermeden, zal resulterenin de dood of in ernstig persoonlijk letsel.WAARSCHUWINGGeeft een gevaarlijke situatie aan die, alsdeze niet wordt vermeden, zou kunnenresulteren in de dood of in ernstigpersoonlijk letsel.LET OPGeeft een gevaarlijke situatie aan die, alsdeze niet wordt vermeden, zou kunnenresulteren in licht of middelzwaarpersoonlijk letsel.De gevarenaanduidingen zijn als volgtgestructureerd:SIGNAALWOORDBeschrijving van gevaarGevolg van negeren van waarschuwing• Actie om het gevaar te vermijden.1.2 OpmerkingenDe onderstaande symbolen en opmerkingen kunnenworden weergegeven in installatie-, bedienings-,veiligheids- en service-instructies van Grundfos.Neem deze instructies in acht voorexplosieveilige producten.Een blauwe of grijze cirkel met een witgrafisch symbool geeft aan dat een actiemoet worden uitgevoerd.Een rode of grijze cirkel met een diagonalebalk, mogelijk met een zwart grafischsymbool, geeft aan dat een actie niet moetworden uitgevoerd of moet wordengestopt.Als deze instructies niet in acht wordengenomen, kan dit resulteren in technischefouten en schade aan de installatie.Tips en advies om het werk gemakkelijkerte maken.1.3 DoelgroepenDeze installatie- en bedieningsinstructies zijn bedoeldvoor professionele installateurs.602Nederlands (NL)

Beschrijving1 Instroomopening2 Uitstroomopening3 Voedingskabels4 Stuurstroomkabel5 Hijsbeugel6 Klemmenkast7 Onderwatermotor8 Pomp9 Ontluchtingsventiel2.2 Bedoeld gebruikS pompen zijn ontworpen voor het verpompen vanriool- en afvalwater in diverse gemeentelijke,particuliere en industriële toepassingen.2.3 Te verpompen vloeistoffenS pompen zijn ideaal voor het transporteren van devolgendevloeistoffen:• rioolwater• afvalwater.2.4 Identificatie2.4.1 TypesleutelAlle S pompen serie 72, 74 en 78 die in dezehandleiding worden beschreven, wordengeïdentificeerd door de typeaanduiding die vermeldstaat in de orderbevestiging en andere documentatiedie met de pomp wordt meegeleverd.NB: Het pomptype dat in deze handleiding wordtbeschreven is niet in alle uitvoeringen beschikbaar.Voorbeeld: S2.90.250.2250.4.72S.C.496.G.N.D.513.ZCode Uitleg AanduidingSRiool- enafvalwaterpompPomptypeSTMeerkanaalswaaierpompopgesteld in eenschacht2 2-kanaals waaierWaaiertype3 3-kanaals waaier4 4-kanaals waaier90Maximalekogeldoorlaat [mm]Pompdoorlaat[mm]250Nominale diametervan de pompuitlaatPompuitlaat, Stype [mm][ ]Nominale diametervan de schachtKolomdiameter,ST type [mm]2250Uitgangsvermogen,P2P2 / 10Uitgangsvermogen [kW]14 4-polige motorAantal polen6 6-polige motor8 8-polige motor10 10-polige motor12 12-polige motor14 14-polige motor603Nederlands (NL)

Speciale voorwaarden voor veilig gebruikvan explosieveilige pompen:1. Zorg ervoor dat devochtdetectieschakelaars, de WIO-sensor (water-in-olie) en de thermischeschakelaars in aparte circuits zijnaangesloten en aparte alarmuitgangen(motorstop) hebben in geval van hogeluchtvochtigheid of hoge temperatuurin de motor. 2. Bouten die als vervanger wordengebruikt dienen klasse A4-80 of A2-80te zijn, overeenkomstig EN/ISO3506-1. 3. De spleetwijdte van het vlampad vande motor wordt door de fabrikantopgegeven en is nauwer dan normaal. WAARSCHUWING: Gebruik bijreparaties altijd origineleserviceonderdelen van de fabrikant omde juiste afmetingen van despleetwijdte van het vlampad tewaarborgen. 4. Tijdens bedrijf moet de koelmantel,indien aangebracht, met de verpomptevloeistof worden gevuld. 5.

Het niveau van de verpompte vloeistofmoet worden geregeld metniveauschakelaars die zijn aangeslotenop het regelcircuit van de motor. Hetminimale niveau hangt af van hetinstallatietype en wordt gespecificeerdin deze installatie- enbedieningsinstructies. Gebruik tweeonafhankelijke schakelaars voor hetuitschakelniveau om gevaarlijkesituaties te vermijden. 6. Drooglopen is niet toegestaan. 7. Zorg ervoor dat de vast aangeslotenkabels mechanisch worden beschermden in een geschikt klemmenbordeindigen. 8. De afvalwaterpompen hebben eenomgevingstemperatuurbereik van -5 tot+40 °C (S72) of 0-40 °C (S74-78) eneen maximale bedrijfstemperatuur van40 °C. De minimaleomgevingstemperatuur voor een pompmet een WIO-sensor bedraagt 0 °C. 9. Als een WIO-sensor is geïnstalleerd,moet de besturingseenheid dezebeschermen tegen kortsluiting. Demaximale stroom van de schakelkastmoet beperkt zijn tot 350 mA. 10.

Volg deinstructies voor elektrische aansluitingom gevaarlijke situaties te vermijden. De thermische beveiliging van demotor wordt gewaarborgd door eenthermistor van 150 °C of eenthermische schakelaar van 150 °C perfase in de statorwikkeling. Hetbeveiligingscircuit is ingesteld om destatortemperatuur te beperken tot 150°C. In deze opstelling is detemperatuurclassificatie T3. 17. De temperatuurklasse voor het productis T4 (135 °C). Temperatuurklasse T3geldt alleen wanneer eenfrequentieomvormer wordt gebruikt. Demotor kan worden aangesloten op eenniet-sinusvormige voeding en/ofvoeding met variabele frequentie meteen maximale frequentie van 60 Hz. 18. Voor geverfde pompen kunt u het risicoop elektrostatische ontlading op devolgende wijze minimaliseren:• Aarding is verplicht. 608Nederlands (NL).

• Houd in droge opstellingen eenveiligheidsafstand tussen pompenen looppaden aan.• Gebruik natte stof om te reinigen.19. De WIO-sensor moet altijd volledig zijnondergedompeld in de olie als destroom is ingeschakeld.GEVAARExplosieve omgevingDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Controleer of de kabeldoorvoeren nietbeschadigd zijn om vonken tevermijden die een explosie kunnenveroorzaken.Speciale voorwaarden voor veilig gebruikvan de WIO-sensor:1. De besturingskast moet de sensorbeschermen tegen kortsluiting.2. Zorg er bij het installeren van de WIO-sensor voor dat deze niet wordtblootgesteld aan mechanischeinwerkingen.3. De WIO-sensor mag niet wordengebruikt in olie met een spontaneontbrandingstemperatuur lager dan225 °C.4. De WIO-sensor is goedgekeurdconform EN 60079-0, EN 60079-7, EN60079-18 en IEC 60079-0, IEC60079-18, IEC 6 0079-7.

Bij ATEX,UKEX en IECEx toepassingen moet demaximale stroom die naar de sensorwordt gevoerd worden beperkt tot 350mA overeenkomstig EN/IEC 60079-18en 60079-0.5. De WIO-sensor moet worden gebruiktmet een galvanisch gescheiden circuit.2.7 ToepassingenAfhankelijk van het opstellingstype kunnen depompen worden gebruikt voor natte of droge,horizontale of verticale opstelling.Maximale kogelgrootte: 90-145 mm, afhankelijk vanhet type waaier.3. Het product ontvangen3.1 Het product transporterenDe pomp wordt af fabriek geleverd op een stalentransportstandaard in een horizontale positie. Depomp en standaard worden beschermd door eenspeciaal deksel.TM033069Afgedekte pomp op een transportstandaardBewaar de transportstandaard voor latergebruik.Bewaar de beschermingen voor dekabeluiteinden voor later gebruik.609Nederlands (NL)

3.2 Het product hanteren en hijsenS pompen wegen maximaal 8100 kg zondertoebehoren.Het is daarom cruciaal om de juiste hijsapparatuur tegebruiken.Het gewicht van de pomp staat vermeld op hettypeplaatje.Gebruik altijd CE-gemarkeerde of lokaalgeaccepteerde hijsapparatuur.GEVAARBeknellingsgevaarDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Controleer altijd de hijsbeugel enhijsketting op corrosie en slijtagevoordat u gaat hijsen.‐ Hijs de pomp altijd op aan degemarkeerde hijspunten of met eenvorkheftruck.GEVAARBeknellingsgevaarDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Zorg ervoor dat het zwaartepunt zichtussen de armen van de vorkheftruckbevindt bij het optillen van de pomp.Het geschatte zwaartepunt wordtaangegeven met een label dat aan detransportstandaard is bevestigd.GEVAARElektrische schokDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Hijs de pomp nooit op aan devoedingskabels.Het ophijsen van de pomp aan de voedingskabelskan leiden tot elektrische kortsluiting en een risico opelektrische schokken wanneer de pomp wordtaangesloten op de netvoeding.

De kabels enkabeldoorvoeren kunnen beschadigd raken, wat kanleiden tot verlies van waterbestendigheid en ernstigeschade aan de motor.Als de pomp meer dan 10 ° in een willekeurigerichting wordt gekanteld vanuit de normale positie(EN 809, 5,2.1,4), kan de pomp zijn stabiliteitverliezen.3.2.1HijspuntenTM034459Hijspunten aan de pomp, serie 72TM046068Hijspunten aan de pomp, serie 74 en 78Hijs ST pompen altijd op aan de hijsbeugelom te zorgen dat de pomp in balans is.Het ontwerp van de hijsbeugel kan verschillen vanhet ontwerp in de tekening. Dit heeft geen invloed opde hantering van het product.610Nederlands (NL)

Ophijsen van de pomp in verticale positieGEVAARBeknellingsgevaarDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Controleer of de hijsbeugel goed isbevestigd voordat de pomp wordtopgehesen.GEVAARBeknellingsgevaarDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Ga niet onder of naast de pomp staanals deze in verticale positie wordtgebracht.‐ Zorg ervoor dat de pomp voorzichtig inverticale positie wordt gehesen om tevoorkomen dat de hijsketting van dekraan glijdt wanneer de pomp niet inbalans is.Onzorgvuldigheid tijdens tillen of transport kanpersoonlijk letsel of schade aan de pompveroorzaken.TM033034Ophijsen van de pomp in verticale positie, stap 1TM033035Ophijsen van de pomp in verticale positie, stap 2TM033036Ophijsen van de pomp in verticale positie, stap 3611Nederlands (NL)

4. Het product installerenS pompen zijn ontworpen voor diverseopstellingstypen. Opstellingstype Beschrijving ToebehorenSAfvalwaterpompzonderkoelmantel voorondergedompelde opstelling opautomatischekoppelingAutomatischekoppelingCAfvalwaterpompmet koelmantelvoorondergedompelde opstelling opautomatischekoppelingAutomatischekoppelingDAfvalwaterpompmet koelmantelvoor drogeverticaleopstellingVoetstuk voorverticaleopstellingHAfvalwaterpompmet koelmantelvoor drogehorizontaleopstellingVoetplaat voorhorizontaleopstellingSTAfvalwaterpompzonderkoelmantel voorinstallatie inschachtRingNaleving van de standaard IEC 60079-14is een verantwoordelijkheid van de klant. Pompinstallatie in putten moet wordenuitgevoerd door getrainde personen. Werkzaamheden in of in de omgeving vaneen put moeten voldoen aan de lokalevoorschriften.

GEVAARElektrische schokDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Het moet mogelijk zijn om denetschakelaar in positie 0 vast tezetten. Type en eisen zoalsgespecificeerd in EN 60204-1. Personen in de omgeving van deinstallatie mogen niet werken wanneer deatmosfeer explosiegevaarlijk is. GEVAARBeknellingsgevaarDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Werk nooit onder een pomp wanneerdeze aan een kraan hangt. Uit veiligheidsoverwegingen moet op dewerkzaamheden in putten toezicht worden gehoudendoor een persoon buiten de put. Putten voor dompelbare riool- en afvalwaterpompenbevatten giftige en/of besmettelijke stoffen. Daarommoet alle personen passende persoonlijkebeschermingsmiddelen en kleding dragen, en moetenalle werkzaamheden aan en in de buurt van de pompvoldoen aan de geldende hygiënevoorschriften.

VOORZICHTIGHeet oppervlakLicht of middelzwaar persoonlijk letsel‐ Raak de pomp of kabels niet aantijdens bedrijf, aangezien deoppervlaktetemperatuur hoger kan zijndan 70 °C. 4. 1 Mechanische installatieBevestig het extra typeplaatje dat met de pomp ismeegeleverd ter plaatse aan de opstelling. Neem alle veiligheidsregels op de installatielocatie inacht. Controleer voorafgaand aan de installatie het oliepeilin de oliekamer. GEVAARElektrische schokDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Voorafgaand aan de installatie: schakelde voedingsspanning uit en vergrendelde netschakelaar in positie 0. ‐ Alle externe spanning die op de pompis aangesloten moet wordenuitgeschakeld voordat er aan de pompgewerkt wordt. 612Nederlands (NL).

GEVAARBeknellingsgevaarDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Tijdens installatie dient de pomp altijdondersteund te worden doorhijskettingen of in horizontale positie teworden geplaatst om stabiliteit tewaarborgen. VOORZICHTIGBeknellingsgevaarLicht of middelzwaar persoonlijk letsel‐ Steek uw handen of gereedschap nietin de zuig- of persopening van depomp nadat de pomp is aangeslotenop de voedingsspanning, tenzij dehoofdschakelaar is vergrendeld inpositie 0. ‐ Zorg ervoor dat de voedingsspanningniet per ongeluk kan wordeningeschakeld. Gebruik altijd Grundfos toebehoren vooreen correcte werking. Als de installatie moet worden getest bijeen druk van meer dan 1,3 maal demaximale opvoerhoogte van de pomp,isoleert u de pomp van de installatie vóórde test om schade aan de pomp tevermijden. 4.

2 FundatieTeneinde trillingen tot een minimum te voorkomen,moeten alle onderdelen van het systeem voldoendestijf en stevig worden verankerd:• De fundering en het beton moeten geschikt zijnvoor het dragen van het gewicht van de pomp,inclusief toebehoren, het gewicht van de vloeistofdie door de pomp gaat en de krachten die door depomp worden gegenereerd. • De massa van de betonnen fundering moetminimaal drie tot vijf keer de massa van deondersteunde apparatuur zijn en moet voldoendestijf zijn om de axiale, transversale entorsiebelastingen van de pomp te weerstaan. • De fundering moet 15 cm breder zijn dan devoetplaat of het voetstuk voor pompen tot 350 kWen 25 cm breder voor grotere pompen. • Het in de fundering gebruikte beton moet eenminimale treksterkte hebben van 250 N/cm2. • Gebruik altijd epoxycement om de voetplaat vande pomp aan de fundering te bevestigen.

3 Het product monteren4. 3. 1 Opstelling op voetbochtDe pomp op de automatische koppeling latenzakkenDe pomp kan gemakkelijk uit de put getrokken of inde put neergelaten worden via de geleidestangen. Het uitschakelniveau voor opstellingstype C is lagerdan dat voor type S. Zie afb. Uitschakelniveaus vooropstellingen met automatische koppeling. TM033066Bovenste beugel van geleidestang613Nederlands (NL).

TM033068Tussenliggende beugel voor geleidestangDe juiste hoogte van het voetstuk voor opstelling opautomatische koppeling is belangrijk voor hetverkrijgen van het beste rendement van de pomp.TM032018Installatie van een eenheid voor automatischekoppeling op een voetstukDe minimaal vereiste sokkelhoogtes (A) vooropstelling op een automatische koppeling wordenaangegeven in de volgende tabel.PomptypeMinimale hoogtevan voetstuk (A)[mm]Serie 72S2.90.250.xxxx.x.x 375S2.100.250.xxxx.x.x 375S2.100.300.xxxx.x.x 400PomptypeMinimale hoogtevan voetstuk (A)[mm]S3.110.300.xxxx.x.x 400S3.120.500.xxxx.x.x 425S3.135.500.xxxx.x.x 425S3.140.600.xxxx.x.x 425Serie 74S2.90.xx.xxx.xxxx.x.x 400S2.100.xxx.xxx.xxxx.x.x 400S3.110.xxx.xxx.xxxx.x.x 400S3.120.xxx.xxx.xxxx.x.x 425S3.135.xxx.xxx.xxxx.x.x 425Serie 78Drukklasse E, L, M, H 425Drukklasse F 0Vereiste kantelhoek als pomp op automatischekoppeling wordt geplaatst: ± 5°.TM033067De pomp op een automatische koppeling latenzakken614Nederlands (NL)

Ondergedompelde opstelling op voetbochtPompen voor permanente opstelling kunnen volledigof gedeeltelijk ondergedompeld in de verpomptevloeistof worden geïnstalleerd op een stationairevoetbochtkoppeling. Voordat u het voetstuk van de automatischekoppeling installeert, zorg ervoor dat de betonnenondergrond van goede kwaliteit en sterk genoeg is. Zie de schroeftrekvastheid die is vereist voorverankeringsbouten aan het einde van dezeparagraaf. Om voor voldoende uittrekkracht te zorgenmoet de draadbus op de stalen wapening in het betonworden gelast. Voor opstellingen met automatischekoppeling, typen S en C, wordt degeleideklauw af fabriek aan de persflensgemonteerd. SCTM031626Permanente opstelling in een put, opstellingstypenS en CGa als volgt te werk:1. Boor montagegaten voor de beugel van degeleidestang binnen in de put en zet de beugelvan de geleidestang vast met tweeverankeringsschroeven.

2. Plaats het voetstuk van de voetbocht op debodem van de put. Als de bodem van de putongelijk is, moet het voetstuk van de voetbochtworden ondersteund. Gebruik een schietlood omde juiste positie te bepalen. Bevestig de voetbochtmet keilbouten. 3. Monteer de persleiding volgens de algemeengangbare procedure. Stel de leiding niet bloot aanvervorming of spanning. Voorkom dat het gewichtvan de leidingen door de automatische koppelingmoet worden gedragen. 4. Monteer de geleidestangen. Een tussenliggendebeugel voor geleidestangen is vereist als degeleidestangen langer zijn dan 6 m. Plaats degeleidestangen op de automatische koppeling,plaats vervolgens de beugel voor de geleidestangop de geleidestangen en bevestig deze aan deputwand. Draai de verankeringsbouten vast. 5. Verwijder puin uit de put voordat u de pomp erinplaatst. 6.

Wanneer de pomp hetvoetstuk met automatische koppeling bereikt,wordt de pomp automatisch ingeschakeld. 8. Hang het uiteinde van de ketting op aan eenstevige haak boven in de put. Houd de kettingrecht maar zorg ervoor dat deze niet onderspanning staat. 9. Pas de lengte van de voedingskabel aan doordeze op te rollen op een trekontlaster, zodat dekabel niet beschadigd kan raken tijdens hetfunctioneren. Maak de trekontlaster vast aan eengeschikte haak boven in de put. Bevestig dekabels aan de bovenkant van de put om tevoorkomen dat extra kabels in de put glijden. Zorgdat de kabels niet geknikt of afgekneld worden. Zorg dat u voldoende kabellengte heeft omonderhoud op de pomp te kunnen uitvoeren. 10. Sluit de voedings- en besturingskabels aan. Vermijd druk op de leidingen bij flenzen enbouten.

De pomp is met flensaansluitingen aan de zuig- enpersleidingen bevestigd.Ga als volgt te werk:1. Boor montagegaten in de betonnen fundering.2. Bevestig het voetstuk of de voetplaat op het betonmet verankeringsbouten. Controleer deuittrekkrachten die zijn vereist voor bouten aanhet einde van deze paragraaf.3. Controleer of het voetstuk of de voetplaathorizontaal of verticaal is.4. Bevestig de pomp op het voetstuk of de voetplaat.Om onderhoud aan de pomp mogelijk te makenmoeten aan beide zijden van de pompisolatiekleppen worden aangebracht.5. Plaats de zuig- en persleidingen en afsluiters,indien van toepassing, en zorg dat de pomp nietdoor het leidingwerk onder spanning komt testaan.6. Pas de lengte van de voedingskabels aan doordeze op te rollen op een trekontlaster zodat dekabels niet beschadigd kunnen raken tijdensbedrijf.

Zorg dat u voldoende kabellengte heeftom onderhoud op de pomp te kunnen uitvoeren.Bevestig de trekontlaster aan een geschikte haak.Zorg dat de kabels niet geknikt of afgekneldworden.7. Sluit de voedings- en besturingskabels aanvolgens de bedradingsschema's.Gebruik bij horizontale opstellingeneen verloopstuk tussen de zuigleidingen de pomp. Het verloopstuk moetexcentrisch zijn en moet wordengeïnstalleerd met de rechte kant naarboven. Daardoor wordt de ophopingvan lucht in de aanzuigleiding en hetrisico op bedrijfsstoringen voorkomen.Zorg ervoor dat de leidingen wordengeïnstalleerd zonder onnodige druk uitte oefenen. Voorkom dat het gewichtvan de leidingen door de pomp moetworden gedragen. Gebruik losseflenzen om het installeren tevergemakkelijken en om spanning opde leidingen bij de flenzen en bouten tevermijden.Gebruik geen elastische onderdelen ofbalgen in de leidingen.

4.3.3 SchachtopstellingVoor dit opstellingstype worden pompen permanent ineen schacht geïnstalleerd. De schacht wordt niet doorGrundfos geleverd. Voor afmetingen van de schacht,zie de pompspecifieke maattekeningen.TM046899Ondergedompelde opstelling in schacht,opstellingstype STGa als volgt te werk:1. Plaats de ring op de bodem van de schacht.2. Verwijder puin uit de put.3. Voordat u de pomp in de schacht laat zakken,dient u te controleren of de kabels niet zijnbeschadigd.4. Laat de pomp in de schacht zakken aan eengecertificeerde ketting die aan de hijsbeugel isbevestigd. De pomp ligt op het conischeoppervlak van de zittingring. De wrijving tussen deconische oppervlakken voorkomt dat de pompdraait. Als extra voorzorgsmaatregel zijn er driegeleidepennen aan de zittingring bevestigd die demogelijke rotatie beperken tot een maximum van60 °.5.

Hang het uiteinde van de ketting op boven of aande bovenkant van de schacht, zodat de kettingniet in contact kan komen met de pomp.6. Pas de lengte van de kabels aan, maar zorg dater voldoende kabellengte overblijft om onderhoudop de pomp te kunnen uitvoeren. Zorg dat dekabels niet geknikt of afgekneld worden. Bevestigde kabels en zorg dat er geen speling aanwezig isin de schacht. Bij lange schachten kan het nodigzijn om kabelsteunen voor de kabels binnen in deschacht te plaatsen. Neem voor meer informatiecontact op met Grundfos.7. Sluit de voedings- en besturingskabels aan.abcTM046908Schachtopstelling, pomptype STPos. Beschrijvingb72 en 74: 900 mm78: 1100 mmc Alle: 400 mm618Nederlands (NL)

4.4 Elektrische aansluitingGEVAARElektrische schokDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Voordat u met werkzaamheden aanhet product begint, dient u er zeker vante zijn dat de elektriciteitstoevoer isuitgeschakeld en niet per ongeluk kanworden ingeschakeld.Sluit de pomp aan op een externe netschakelaar,waarbij alle polen worden losgekoppeld met eencontactscheiding overeenkomstig EN 60204-1. Hetmoet mogelijk zijn om de netschakelaar in positie 0vast te zetten. Type en eisen zoals gespecificeerd inEN 60204-1.De voedingsspanning en -frequentie staan vermeldop het typeplaatje.

Controleer of de motor geschikt isvoor de voedingsspanning die aanwezig is op deinstallatielocatie.Voer de elektrische aansluiting uitovereenkomstig de lokale voorschriften.De pomp moet op een motorbeveiliging zijnaangesloten.Sluit de pomp aan op een besturingskastmet een motorbeveiligingsrelais met IEC-uitschakelklasse 10 of 15.Sluit pompen die staan opgesteld opgevaarlijke locaties aan op eenschakelkast met eenmotorbeveiligingsrelais met IEC-uitschakelklasse 10.De motor is effectief geaard via de aardgeleider vande voedingskabels en de leidingen.

Pos. Beschrijvingd Pt100 in bovenste lagere Pt100 in statorf Pt100 in onderste lagerg Olie-indicator 4-20 mADe bedradingsschema's inmaatwerkproducten kunnen afwijken vande standaard. Neem in dat geval contactop met Grundfos of met eengeautoriseerde werkplaats. 4. 5 Gebruik van een frequentie-omvormerAls de motor wordt bedreven door eenfrequentieomvormer, moet detemperatuurklasse van de explosieveiligepompen T3 zijn. In principe kunnen alle drie-fasemotoren wordenaangesloten op een frequentieomvormer. Frequentieomvormerbedrijf stelt de isolatie van demotor echter vaak bloot aan zwaardere belasting enmaakt de motor luidruchtiger dan normaal. In deze productreeks treedt slechts eenverwaarloosbare hoeveelheid lagerstromen op tijdenshet gebruik van de frequentieomvormer.

Bij gebruik van frequentieomvormers dient u hetvolgende in acht te nemen:• De thermische motorbeveiliging moet zijnaangesloten. • Piekspanning en dU/dt moeten overeenkomstigonderstaande tabel zijn. De vermelde waardenzijn maximale waarden voor toevoer aan demotorklemmen. Er is geen rekening gehoudenmet de invloed van de kabel. Raadpleeg hetdatablad van de frequentieomvormer voor dedaadwerkelijke waarden en de invloed van dekabel op de piekspanning en dU/dt. • De minimale schakelfrequentie bedraagt 2 kHz. Variabele schakelfrequentie wordt geaccepteerd. • Wanneer de pomp een Ex-goedgekeurde pompis, controleer dan of het Ex-certificaat van despecifieke pomp het gebruik van eenfrequentieomvormer toestaat. • Stel de frequentieomvormer U/f-ratio inovereenkomstig de motorgegevens. • Er moet aan de lokale voorschriften of normenworden voldaan.

• Voordat u een frequentieomvormer installeert,berekent u de laagste toegestane frequentie in deinstallatie om nul doorstroming te voorkomen. • Verlaag het motortoerental niet naar minder dan50%. • Houd het debiet boven 1 m/s. • Laat de pomp ten minste eens per dag opnominaal toerental draaien om afzetting in hetleidingsysteem te voorkomen.

• Overschrijd de op het typeplaatje aangegevenfrequentie niet; dit kan tot overbelasting van demotor leiden. • Houd de voedingskabel zo kort mogelijk. Depiekspanning neemt toe naarmate devoedingskabels langer zijn. • Gebruik ingangs- en uitgangsfilters op defrequentieomvormer. • Gebruik een afgeschermde voedingskabel als ereen kans is dat elektrische ruis andere elektrischeapparatuur kan verstoren. • Stel de frequentieomvormer in op bedrijf metconstant koppel. Er kan gebruik worden gemaaktvan pulsbreedtemodulatie. Controleer de volgende bedrijfscondities als de pompwordt bedreven via een frequentieomvormer:• Het koppel met vergrendelde rotor kan lager zijnafhankelijk van het type frequentieomvormer. • De geluidsproductie kan toenemen. Zie deinstallatie- en bedieningsinstructies voor degeselecteerde frequentieomvormer. Maximale herhaaldepiekspanning[V]Maximale dU/dtUN400V[V/μ sec.

]850 2000Gebruik van een frequentieomvormer kande levensduur van de lagers en deasafdichting verminderen, afhankelijk vande bedrijfsmodus en andereomstandigheden. Informatie over toerental/koppelcurven vande pomp, bij bediening met eenfrequentieomvormer, kan wordengevonden in het Grundfos Product Centerop https://product-selection. grundfos. com. Voor meer informatie over de werking van defrequentieomvormer raadpleegt u het gegevensbladen de installatie- en bedieningsinstructies voor degeselecteerde frequentieomvormer. 620Nederlands (NL).

5. Beveiligings- en regelfuncties5. 1 MotorbeveiligingsapparatuurDe motoren hebben drie thermische schakelaars entwee vochtschakelaars die in serie zijn geschakeld. Thermische schakelaars en vochtdetectieschakelaarszijn aangesloten op twee afzonderlijke circuits. Dethermische beveiligingen zijn omkeerbaar en devochtdetectieschakelaars zijn onomkeerbaar. Hetcircuit met thermische schakelaars, geleiders 1 en 3,en het circuit met vochtdetectieschakelaars, geleiders2 en 3, hebben afzonderlijke uitgangen om apartealarmmeldingen te geven als de motor oververhit isen als de motor last heeft van vocht. Alle andere sensoraansluitingen worden of uit demotor geleid, sensoruitvoering D, via geleiders 4 t/m9, of worden aangesloten op de sensorkaart,sensoruitvoering B, en uit de motor geleid viageleiders 4 en 5. 5.

Afhankelijk van de beveiligingsniveaus en het aantalpompen kunnen niveauschakelaars worden gebruiktin de volgende instellingen:• Drooglopen (optioneel)• Stop• Start pomp 1 (versie met één pomp)• Start pomp 2 (uitvoering met twee pompen)• Hoog niveau (optioneel). Er kunnen analoge niveau-opnemers worden gebruikten alle niveaus kunnen worden aangepast. Er kunnenniveauschakelaars worden gebruikt met niveau-opnemers, voor droogloopbeveiliging enhoogwateralarm.

Let op het volgende bij het installeren van deniveauschakelaars:• Om aanzuiging van lucht en trillingen tevoorkomen, installeert u deuitschakelniveauschakelaar zodat de pomp wordtuitgeschakeld voordat het vloeistofniveau wordtverlaagd tot in het midden van het motorhuis. • Installeer de niveauschakelaar voor inschakelen,zodat de pomp op het vereiste niveau wordtingeschakeld. De pomp moet altijd wordeningeschakeld voordat het vloeistofniveau deonderste instroomleiding bereikt. • Installeer de alarmschakelaar voor hoog niveaualtijd ongeveer 10 cm boven de niveauschakelaarvoor inschakelen. Het alarm moet echter altijdworden gegeven voordat het vloeistofniveau deinstroomleiding bereikt. Zie de installatie- en bedieningsinstructies van degeselecteerde niveauregelaar voor verdereinstellingen. De pomp mag niet drooglopen.

Installeer een extra niveauschakelaar omer zeker van te zijn dat de pomp wordtuitgeschakeld als de niveauschakelaarvoor uitschakeling niet werkt. De pomp moet worden uitgeschakeld alshet vloeistofniveau de bovenrand van deklem bereikt. Vlotterschakelaars die worden gebruikt inmogelijk explosiegevaarlijke omgevingenmoeten voor deze toepassing zijngoedgekeurd. Ze moeten wordenaangesloten op de Grundfos LC 231 of LC241 niveauregelaar door een intrinsiekveilige barrière om een veilig circuit tewaarborgen. In potentieelexplosiegevaarlijke omgevingen moet deanti-vastloopfunctie worden uitgeschakeldop pompregelaars. Installeer de pompregelaar niet in eenmogelijk explosiegevaarlijke omgeving. Niveauschakelaars moeten voldoen aanIEC/EC 50495, Annex D. 5. 3 IO 113IO 113 vormt de interface tussen een Grundfos riool-en afvalwaterpomp met analoge en digitale sensorenen de pompregelaar.

Samen met de sensoren vormt de IO 113 eengalvanische scheiding tussen de motorspanning in depomp en de regelaar. IO 113 is standaard in staat om het volgende te doen:• de pomp beschermen tegen oververhitting• de status bewaken van:- temperatuur van de motorwikkeling- lekkage via WIO-sensor- vocht in de pomp. • de statorisolatieweerstand meten. • de pomp uitschakelen in geval van alarm• de pomp op afstand bewaken via RS-485communicatie, Modbus of GENIbus• de pomp besturen met een frequentieomvormer. In combinatie met de SM 113 kan de IO 113 delagertemperatuur en rotorsnelheid controleren als demotor is uitgeschakeld. 5. 3. 1 Galvanische scheidingDubbel geïsoleerde sensoren voor alle metingenwaarborgen de elektrische veiligheid. Bovendien isbinnen in de IO 113 een galvanische scheidingopgenomen. 5. 3.

Installeer een extra niveauschakelaar om tegaranderen dat de pomp wordt uitgeschakeld in hetgeval dat de primaire uitschakelniveauschakelaar nietwerkt. Een pomp omvat de volgende schakelaars ensensoren:• drie thermische schakelaars in destatorwikkelingen• een vochtdetectieschakelaar in het bovenstedeksel• een vochtdetectieschakelaar in het statorhuis• drie thermische schakelaars in het statorhuis:- een analoge Pt100 sensor in destatorwikkeling- een analoge Pt100 sensor in het bovenstelager- een analoge Pt100 sensor in het onderstelager• een analoge WIO-sensor in de oliekamer. 1234567891TM032802StuurstroomkabelPos. Beschrijving1 Geel en groen622Nederlands (NL).

Dit genereert zowel een hardware- als een software-alarm in de IO 113 en het alarmrelais wordt geopend. De schakelstroom voor de thermische schakelaar is0,5 A bij cos φ 0,6. De thermische beveiliging vanexplosieveilige pompen mag de pomp nietautomatisch herstarten. Installeer een automatischestroomonderbreker, die de stroomtoevoerafsluit in het geval dat de thermische- ofde vochtdetectieschakelaars niet werken. 5. 5. 2 VochtdetectieschakelaarDe pompen hebben twee vochtdetectieschakelaars,één in het bovenste deksel en één in het statorhuis. De vochtdetectieschakelaars zijn onomkeerbaar enmoeten worden vervangen als ze geactiveerd zijn. De vochtdetectieschakelaars lopen bedraad van depomp naar de IO 113 of een vergelijkbare regelaar. Ze gaan open als vocht wordt gedetecteerd enonderbreken een elektrisch circuit.

Dit genereertzowel een hardware- als een software-alarm in de IO113 en het alarmrelais wordt geopend. De schakelstroom op de vochtdetectieschakelaarbedraagt 6 A. 5. 5.

3Pt100De pompen zijn uitgerust met Pt100 sensoren in destatorwikkelingen, in het bovenste en onderstelagerhuis. De Pt100 voert een analoge meting uit tussen 0 °Cen 180 °C. De waarde wordt gemeten door de SM 113 en viaseriële communicatie overgebracht naar de IO 113. Indien de pomp geen SM 113 bezit, moeten dePT100 sensoren bedraad uit de pomp lopen enworden en aangesloten op een externe unit. Als depomp een SM 113 heeft, sluit u de Pt100 sensorenaan op de SM 113. Een externe unit is niet nodig. De maximale alarmtemperaturen worden in deonderstaande tabel aangegeven:PompserieAlarmtemperaturenTemperatuurvan dewikkeling[°C]Bovenstelager[°C]Onderstelager[°C]72 150 120 10074 150 120 12078 150 120 120623Nederlands (NL).

5.5.4 WIO-sensorAlle Ex-pompen moeten af fabriek zijnuitgerust met een interne WIO-sensor.Gebrek aan olie kan oververhitting enschade aan de mechanischeasafdichtingen tot gevolg hebben. DeWIO-sensor in de oliekamer activeert hetalarm als de oliekwaliteit of -hoeveelheidonvoldoende is in de oliekamer.Gebruik geen Shell Ondina X420 oliezonder emulgatorreinigingsmiddel inpompen die zijn uitgerust met een WIO-sensor.De oliekamer is gevuld met olie die dient alssmeermiddel en koelmiddel voor beide mechanischeafdichtingen. De WIO-sensor meet het watergehaltein de oliekamer:• 0-20% water in de olie veroorzaakt geen reactie.• Een watergehalte buiten het meetbereik resulteertin een waarschuwing.• Een laag oliepeil veroorzaakt een alarm.

De pompmag niet werken terwijl dit alarm actief is.De sensor bestaat uit een plaatcondensator die isondergedompeld in de olie en het elektronischecircuit meet, dat een 4-20 mA proportioneelstroomsignaal afgeeft.Controleer de WIO-sensor regelmatig.Nadere informatie is te vinden in de installatie- enbedieningsinstructies, 96591899, of in het GrundfosProduct Center op www.grundfos.com.6. Het product in bedrijf nemenDe pomp kan direct-on-line (DOL) of ster-driehoek(Y/D) worden ingeschakeld.

De keuze van deinschakelmethode hangt af van het gebruik en debelangrijkste voedingsomstandigheden.In het geval van ster-driehoekinschakeling, moet de schakeltijd van deschakeling tot een minimum beperktworden om hoge kortstondigedraaimomenten te vermijden.Gebruik een tijdrelais met een schakeltijd vanmaximaal 50 minuten of volgens de specificaties vande fabrikant.V1 W1U1 PEV2U2W2PEL1DML3L23TM051638Direct online inschakelenV1 W1U1 PEV2U2W2PEL1DML3L23TM051639Ster-driehoek inschakelingPos. BeschrijvingD StuurstroomkabelGerelateerde informatie4.4.1 Bedradingschema's624Nederlands (NL)

6. 1 Voorbereiden voor inschakelenGEVAARDraaiende elementenDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Voordat u de pomp handmatiginschakelt of overschakelt naarautomatisch bedrijf, zorgt u ervoor dater geen mensen aan of in de buurt vande pomp werken. Voordat de pomp voor het eerst wordtingeschakeld en na een lange periode vanstilstand, moet de pomp worden ontluchten met de verpompte vloeistof wordengevuld. In droge opstellingen met koelmantel moetde koelmantel altijd gevuld zijn met deverpompte vloeistof tijdens bedrijf. 6. 2 Niveau van de verpompte vloeistofEen Ex-motor zonder koelmantel(opstellingstypen S en ST) moet volledigzijn ondergedompeld tijdens bedrijf. Installeer een extra niveauschakelaar omer zeker van te zijn dat de pomp wordtuitgeschakeld in het geval dat deuitschakelniveauschakelaar niet werkt.

Om te voorkomen dat lucht in de pomp wordtgezogen en om een goede koeling van de motortijdens bedrijf te waarborgen, dient aan de volgendeminimale eisen te worden voldaan:• Opstellingstype S: voor continu bedrijf, S1, moetde pomp altijd tot aan de bovenkant van de motorworden bedekt door de verpompte vloeistof. Ziefig. Vloeistofniveaus. • Opstellingstype C: het pomphuis moet altijd zijnbedekt door de verpompte vloeistof. Voor opstellingstype C moet deontluchtingsklep altijd open staan. 132TM079307VloeistofniveausPos. Beschrijving1 Opstelling S (Ex-pompen)2 Opstelling S (standaardpompen)3Opstellingstype C (standaard- en Ex-pompen)• Opstellingstypen D en H:Tijdens bedrijf moet de koelmantel zijngevuld met de verpompte vloeistof omvoldoende koeling te waarborgen.

Voorafgaand aan de eersteinschakeling en na lange perioden vanstilstand moet de lucht worden ontluchtuit de koelmantel via eenontluchtingsklep. • Opstellingstype ST: het vloeistofniveau moet tenminste 900-1100 mm boven de instroomopeningvan de pomp liggen. 6. 2. 1In- en uitschakelniveaus voor opstellingenmet automatische koppelingDe in- en uitschakelniveaus worden tijdens deontwerpfase gespecificeerd.

Stel het uitschakelniveau in op basis vande onderstaande afbeelding.132TM079307Uitschakelniveaus voor opstellingen metautomatische koppelingPos. Beschrijving1 Opstelling S (Ex-pompen)2 Opstelling S (standaardpompen)3Opstellingstype C (standaard- en Ex-pompen)Ex-pompen zonder koelmantel moetenaltijd volledig worden ondergedompeld.In het geval van een Ex-pomp, installeert ueen extra niveausensor voor hetuitschakelniveau.Stel het uitschakelniveau in zodat de stroomsnelheidin de put tegen het einde van de werkcyclustoeneemt.

In putten met diverse verschillendeuitschakelniveaus, zoals in frequentiegeregeldeinstallaties, programmeert u de regelvolgorde omminimaal eenmaal per dag naar het laagsteuitschakelniveau te pompen om de bodem van de putte reinigen.De uitschakelniveaus worden bepaald door devereiste onderdompeling van de motor om koeling tewaarborgen, cavitatie te voorkomen of te vermijdendat lucht in de pompinlaat wordt gezogen. Het laagsteniveau kan niet altijd worden voorspeld, maar moetworden bevestigd door middel van tests tijdens hetopstarten.626Nederlands (NL)

6. 2. 2 In- en uitschakelniveaus voor drogeopstellingenUitschakelniveausDe instelling van het uitschakelniveau voor drooggeïnstalleerde pompen hangt af van deinstroomhoogte en vorm van de zuigleiding en van destroomsnelheid. Stel het uitschakelniveau in opongeveer één diameter van de zuigleiding boven dezuigleiding. Het definitieve uitschakelniveau dient teworden bepaald via testruns tijdens de inschakeling. InschakelniveausStel in putten met droog opgestelde pompen hetinschakelniveau boven het pomphuis in om er zekervan te zijn dat de koelmantel wordt gevuld voordat depomp inschakelt. Voor verticale pompen kan dezehoogte aanzienlijk zijn en moet met een margeworden ingesteld. GSDFDp1EY45°TM058187Verticale droge opstelling (D)Horizontale pompen vereisen geen specialeoverwegingen voor het inschakelniveau als dezuigleiding is ontworpen om de vorming vanluchtbellen te voorkomen.

SFZED145°TM046901Horizontale droge installatie (H)Minimaal uitschakelniveauS = D1Minimale afstand tussen de bodemvan de put en het laagste deel van deinlaatleidingF = 0,5 x D1Minimale inschakelniveauG = DpMinimaal uitschakelniveau voor Ex-pompenEVerloopbocht YExcentrisch verloopstuk ZIn het geval van een Ex-pomp, installeert ueen extra niveausensor voor hetuitschakelniveau. Pompen voor drogeopstelling moeten een koelmantel hebben. S is het minimale uitschakelniveau. De minimaleafstand boven de zuigleiding is vereist om de vormingvan wervelingen bij de zuigleiding te voorkomen enom te voorkomen dat lucht in de pomp wordtgezogen. Lucht in de verpompte vloeistof kantrillingen, cavitatie en verlies van pompcapaciteit totgevolg hebben.

G is het minimale inschakelniveau van een drooggeïnstalleerde, verticale pomp, als er geen andereacties worden ondernomen om te waarborgen dat hetpomphuis wordt gevuld met verpompte vloeistofwanneer de pomp wordt ingeschakeld. Andere mogelijke acties:• Gebruik een vacuümpomp om vloeistof in hetpomphuis te zuigen.

Hiervoor is een afsluitklepaan de perszijde nodig. • Installeer een terugslagklep in de persleiding nade eerste start. Dit voorkomt dat het pomphuisleegloopt tussen de bedrijfsperioden in. 6. 3Controle van de draairichtingSchakel een niet-ondergedompelde pompslechts enkele seconden en om dedraairichting te controleren. Een label met een pijl op het pomphuis geeft de juistedraairichting aan. De draairichting is met de klokmee. GEVAARBeknellingsgevaarDood of ernstig persoonlijk letsel‐ Raak de pomp niet aan bij deinschakeling. Zorg ervoor dat de bodem van de putschoon is vóór de inschakeling om tevermijden dat materiaal of voorwerpen inde waaier worden gezogen. 627Nederlands (NL).

Opstellingstypen S, C en STGa als volgt te werk:1. Hijs de pomp ongeveer 2-5 cm van de grond of devoetplaat met de hijsketting en een kraan. 2. Schakel de pomp in en laat deze enkeleseconden draaien. 3. Let op de trek van de pomp. Als de pomp tegende klok in trekt, is de draairichting correct. Wanneer de draairichting verkeerd is, wissel dantwee fasen in een voedingskabel om. Opstellingstypen D en HControleer het werkpunt om de draairichting tebepalen. 6. 4 InschakelenVoorafgaand aan het installeren en de eerste keerinschakelen van de pomp dient u de staat van dekabels te controleren om kortsluiting te voorkomen. Ga als volgt te werk:1. Vergrendel de netschakelaar in positie 0. 2. Controleer het oliepeil in de oliekamer. 3. Verifieer of de waaier vrij kan draaien. 4. Controleer of de bewakingsunits, indien gebruikt,correct functioneren. 5. Open de afsluiters, indien deze zijn aangebracht.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Grundfos S4 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden